De afstanden aan weerszijden van de bijzondere spoorweg en de afstanden langs de buitenzijde en binnenzijde van de boog, bedoeld in de artikelen 2.30b en 2.30c, gelden:
bij een spoorweg op maaiveldniveau: vanaf het hart van het buitenste spoor;
bij een ingegraven spoorweg: vanaf de bovenzijde van de ingraving; en
bij een opgehoogde spoorweg: vanaf de teen van het talud van de ophoging.
Voorheen art. 2.30c.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.3 › § 2.3.5
Artikel 2.30d
(meten afstand beperkingengebied bijzondere spoorwegen)
Onderdeel van Omgevingsregeling· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024