Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Afdeling 3 › § 2

Artikel 3.5

Vaststellen en afnemen van examen

Onderdeel van Besluit inburgering 2021· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2022

1. Het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, vindt plaats overeenkomstig de regels van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal. 2. Onze Minister stelt de volgende examens vast: het examen kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet; het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen. 3. De examens, bedoeld in het tweede lid, worden afgenomen door Onze Minister. 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede en derde lid, onder meer omtrent de wijze van examineren en de beoordeling van de examens. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering 2021 in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel