Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › § 3.8

Artikel 3.8.6

Afwijzingsgronden

Onderdeel van Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 10 juli 2026

1. Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening, indien: het vissersvaartuig waarop de aanvraag betrekking heeft op 1 juni 2026 geen vissersvaartuig was als bedoeld in het onderdeel van artikel 3.8.3, tweede lid, waarop de aanvraag betrekking heeft; op 1 juni 2026 geen vergunning of vismachtiging, bedoeld in artikel 3.8.3, tweede lid, onderdelen a tot en met d, f, g of h, onder 1°, 2° of 3°, voor het vissersvaartuig waarop de aanvraag betrekking heeft was verleend of eraan was gekoppeld; uit de logboekgegevens blijkt dat het vissersvaartuig, niet zijnde een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 3.8.3, tweede lid, onderdeel e of h, aanhef en onder 5°, of in het vlootsegment AQU: in geen van de jaren 2024, 2025 of 2026 ten minste 30 kalenderdagen visserijactiviteiten heeft verricht; in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 of in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 mei 2026 geen visserijactiviteiten heeft verricht die kunnen en mogen worden verricht door een vissersvaartuig als bedoeld in het onderdeel van artikel 3.8.3, tweede lid, waarop de aanvraag betrekking heeft; of in dezelfde periode, genoemd onder 2°, niet ten minste 25% van het totale gewicht van de aanlandingen van het desbetreffende vissersvaartuig: is gevangen met het vistuig, genoemd in artikel 3.8.3, tweede lid, onderdeel a, b, d, f, onder 2°, of g, onder 2°, indien de aanvraag betrekking heeft op een vissersvaartuig als bedoeld in die onderdelen; of uit garnalen bestaat indien de aanvraag betrekking heeft op een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 3.8.3, tweede lid, onderdeel f, aanhef en onder 1°, of g, aanhef en onder 1°; uit de data van tijdstippen en locaties gegenereerd door het blackbox-systeem van het desbetreffende vissersvaartuig in beheer van Dekimo Goes B.V. blijkt dat het vissersvaartuig in geen van de jaren 2024, 2025 of 2026 ten minste 30 kalenderdagen activiteiten heeft verricht door buiten een haven te varen, indien de aanvraag een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 3.8.3, tweede lid, onderdelen e of h, aanhef en onder 5°, of in het vlootsegment AQU betreft; er al een subsidie als bedoeld in artikel 3.8.2, eerste lid, is verstrekt die in dezelfde openstellingsperiode is aangevraagd ten behoeve van het vissersvaartuig waar de subsidie voor is aangevraagd. 2. De artikelen 1.3, tweede lid, en 2.11, tweede lid, aanhef en onderdeel c, zijn niet van toepassing op aanvragen op grond van deze paragraaf. Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel