In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
betrokkene: degene waarop een VOG betrekking heeft of kan hebben;
minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
toelatingsvergunning: toelatingsvergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders;
Uitvoeringsbesluit:Uitvoeringsbesluit Wtza;
VOG: verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
wet:Wet toetreding zorgaanbieders.
Dit beleid heeft betrekking op de manier waarop de minister zijn bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 5, vierde lid, en 7, tweede lid, van de wet uitoefent. Deze artikelen en artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit brengen met zich dat de minister een zorgaanbieder kan verzoeken om een VOG te verstrekken, indien de minister kennis heeft van feiten of omstandigheden op grond waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat niet of niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG. Wanneer een VOG verstrekt moet worden, dient de aanvrager of houder van een toelatingsvergunning hiervoor bij de dienst Justis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid een aanvraag in. Justis beoordeelt of een VOG wordt verstrekt. Dit is een apart besluitvormingstraject. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft geen bevoegdheid om te beoordelen of een VOG verstrekt kan worden.
Feiten en omstandigheden die de minister redelijkerwijs aanleiding kunnen geven tot het vermoeden dat niet of niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG, doen zich voor indien de door de minister verkregen informatie aanwijzingen bevat dat er mogelijk betrokkenheid is of is geweest bij het plegen van strafbare feiten. Bij de beslissing of de minister een VOG zal vragen, beoordeelt hij de aard, de kwaliteit en de relevantie van de ontvangen informatie in onderlinge samenhang. Daarbij wordt ook de herkomst en kwaliteit van de informatie meegewogen. Hoe gedetailleerder en beter controleerbaar de informatie, hoe meer gewicht daaraan toe komt. Ook weegt een signaal van bijvoorbeeld een toezichthouder zwaarder dan een signaal dat afkomstig is van een niet nader onderbouwd krantenartikel of van burger. Dit betekent dat niet iedere openbare beschuldiging direct kan leiden tot het opvragen van een VOG. Hierbij geldt dat een signaal dat op zichzelf onvoldoende is voor een vermoeden dat niet of niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG, in samenhang met andere signalen wel tot een dergelijk vermoeden kan leiden.
In het volgende hoofdstuk wordt uiteengezet welke bronnen de minister kan gebruiken voor het verkrijgen van feiten of omstandigheden op basis waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat niet (langer) wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG.
Artikel 1
Definities en inleiding
Onderdeel van Beleidsregels VOG Wtza· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 7 januari 2022