Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Wet Bibob

Onderdeel van Beleidsregels Wet Bibob Wtza· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 7 januari 2022

De Wet Bibob is een bestuursrechtelijk instrument en is bedoeld om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert door onder meer vergunningen te verstrekken die gebruikt worden voor illegale praktijken zoals bijvoorbeeld geld witwassen of frauderen. Om die reden heeft de minister de bevoegdheid gekregen om de achtergrond van betrokkene te (laten) onderzoeken. De Wet Bibob is bedoeld als ultimum remedium, dat wil zeggen dat de minister eerst nagaat of er op andere gronden aanleiding is voor een weigering of intrekking van een vergunning. Als er een ernstig gevaar dreigt dat de vergunning wordt misbruikt voor het benutten van crimineel verkregen voordeel of het plegen van strafbare feiten, kan de minister de aanvraag weigeren of de al verleende vergunning intrekken. Ook heeft de minister de bevoegdheid om in bepaalde gevallen voorschriften te verbinden aan de toelatingsvergunning. Deze moeten erop gericht zijn het geconstateerde gevaar weg te nemen of te beperken. Het Bibob-onderzoek kan in twee fasen worden onderscheiden. De eerste fase betreft een eigen onderzoek door de minister (hierna: eigen Bibob-onderzoek). De minister kan besluiten om advies te vragen aan het bureau indien de minister na het eigen Bibob-onderzoek behoefte heeft aan advies over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob of over de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van die wet. In deze tweede fase voert het Bureau een onderzoek uit waarbij verschillende bij wet aangewezen instanties en een veelheid aan bronnen geraadpleegd kunnen worden, zodat het advies een zo compleet mogelijk beeld schetst. Hierna wordt uitgelegd welke situaties ertoe kunnen leiden dat een vergunning wordt ingetrokken of geweigerd of dat voorschriften kunnen worden verbonden aan de vergunning op grond van de Wet Bibob. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 uiteengezet welke omstandigheden aanleiding geven voor een eigen Bibob-onderzoek. Daarna wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op het eigen onderzoek door de minister. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 beschreven wat er gebeurt indien advies wordt gevraagd van het Bureau. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan op de beoordeling die in het kader van de artikelen 5 en 7 Wtza plaatsvindt naar aanleiding van de uitkomsten van het eigen Bibob-onderzoek of het Bibob-advies. Op basis van artikel 3 Wet Bibob kan een vergunning worden geweigerd of ingetrokken als het ernstige gevaar bestaat dat een vergunning mede gebruikt zal worden om: uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (hierna: A-grond); of strafbare feiten te plegen (hierna: B-grond). Het kan voorkomen dat het – ondanks het bestaan van een ernstige mate van gevaar – vanwege de ernst van de strafbare feiten niet gerechtvaardigd is een aanvraag om een vergunning te weigeren of een bestaande vergunning in te trekken. Ook kan de situatie zich voordoen dat er geen ernstig gevaar bestaat, maar een mindere mate van gevaar. In beide gevallen kan een vergunning niet ingetrokken of geweigerd worden, maar kunnen er voorschriften verbonden worden aan de vergunning om op die manier het bestaande gevaar te beperken of weg te nemen (artikel 3, zevende lid, Wet Bibob). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan voorschriften waarbij een relatie als bedoeld in artikel 3, vierde lid, Wet Bibob niet langer mag bestaan of voorschriften die informatieverplichtingen behelzen. Naast de A- en B-gronden, kan een vergunning(aanvraag) ook worden geweigerd of ingetrokken als feiten of omstandigheden er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd (artikel 3, zesde lid, Wet Bibob). Tot slot kan een vergunning worden geweigerd of ingetrokken als zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 4 van de Wet Bibob (niet meewerken aan een Bibob onderzoek van de minister of het Bureau). Vanzelfsprekend worden bij een (eigen) Bibob-onderzoek de relevante strafbare feiten betrokken die de aanvrager of houder van de vergunning (al dan niet vermoedelijk) zelf heeft gepleegd. Kenmerkend voor de Wet Bibob is echter dat een vergunning ook geweigerd of ingetrokken kan worden, omdat een ander dan de aanvrager of houder (vermoedelijk) strafbare feiten heeft gepleegd, zelfs als de aanvrager of houder zelf van onbesproken gedrag is. Daarvoor is vereist dat de aanvrager of houder in een relevante ‘Bibob-relatie’ staat tot die andere (rechts)persoon of (rechts)personen. Deze Bibob-relaties staan opgesomd in artikel 3, vierde lid, onderdelen b en c, Wet Bibob. De Bibob-relaties betreffen de (rechts)personen die: direct of indirect zeggenschap hebben of hebben gehad over de aanvrager of houder; direct of indirect leiding geven of hebben gegeven aan de aanvrager of houder; direct of indirect vermogen verschaffen of hebben verschaft aan de aanvrager of houder; of in een zakelijk samenwerkingsverband hebben gestaan tot de aanvrager of houder. Zeggenschap hebben, leidinggeven en vermogen verschaffen kan ook indirect plaatsvinden. Het maakt hierbij verder niet uit hoeveel schakels er in een zeggenschaps-, leidings- of financieringsketen zitten. Daardoor kan een (eigen) Bibob-onderzoek zich ongeacht het aantal tussenliggende rechtspersonen ook op de natuurlijke personen achter een onderneming richten. Bibob-relaties uit het verleden kunnen hierbij ook relevant zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel