Naar hoofdinhoud
1. Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden: het nemen van besluiten, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het verrichten van andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling betreffende de volgende aangelegenheden: aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een directeur, divisiehoofd, afdelingshoofd of teamleider; aangelegenheden op het werkterrein van een directeur of divisiehoofd: ten aanzien waarvan de inspecteur-generaal in een incidenteel geval mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld, of die door een directeur of divisiehoofd aan de inspecteur-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de inspecteur-generaal door een andere directeur of divisiehoofd moeten worden behandeld. 2. Tot de in het eerste lid, onder a bedoelde aangelegenheden op het gebied van personeel behoren in elk geval: het verlenen van langdurig verlof als bedoeld in paragraaf 4.6 van de CAO Rijk; het opdragen van een andere functie; het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden; het toekennen van een hogere salarisschaal; het toekennen van beloningen, anders dan genoemd in artikel 3, eerste tot en met het vijfde lid; het toekennen van verplichte en onverplichte schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen; het treffen van orde maatregelen als bedoeld in hoofdstuk van 15, van de CAO Rijk; het toekennen van een terugkeergarantie; het afnemen van de eed en belofte van directeuren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel