Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Waardebepaling vermogensbestanddeel bij aangaan van een personenvennootschap

Onderdeel van Firmaproblematiek en terugwerkende kracht· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 2 februari 2022

Bij het aangaan van een personenvennootschap wordt de waarde waartegen een vermogensbestanddeel wordt ingebracht, bepaald op het tijdstip van inbreng. Dat licht ik hierna toe met voorbeelden. Een personenvennootschap die is aangegaan tussen echtgenoten zonder nadere bepalingen, kent geen afwijkende behandeling voor wat betreft de waardebepaling van een vermogensbestanddeel. A en B gaan mondeling een personenvennootschap aan op 1 januari 2020. A brengt een pand in. De mondelinge overeenkomst wordt in een schriftelijke overeenkomst op 3 mei 2020 vastgelegd. De personenvennootschap is opgericht op 1 januari 2020. Het pand wordt op 1 januari 2020 ingebracht voor de waarde op 1 januari 2020. A en B gaan mondeling een personenvennootschap aan op 3 mei 2020. A brengt een pand in. De schriftelijke vastlegging vindt plaats op dezelfde datum. In de overeenkomst wordt een terugwerkende kracht overeengekomen tot 1 januari 2020. De personenvennootschap is opgericht op 3 mei 2020. Nu deze datum niet meer dan negen maanden is gelegen vanaf 1 januari 2020 en beide data in hetzelfde kalenderjaar/boekjaar vallen, kan op grond van onderdeel 3 uit dit besluit terugwerkende kracht worden verleend aan de overeenkomst naar 1 januari 2020. Het pand wordt feitelijk in de vennootschap ingebracht op 3 mei 2020. De terugwerkende kracht werkt in die zin, dat de inbreng plaatsvindt naar de toestand en waarde op 1 januari 2020.

Rechtspraak bij dit artikel