Naar hoofdinhoud

Artikel III

Voorschriften

Onderdeel van Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west)· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 april 2022

In dit besluit wordt verstaan onder: akoestisch(e) afschrikmiddel(en): apparaat waarmee door middel van een geluidssignaal zeezoogdieren en vissen worden verjaagd; ashoogte: de hoogte van het middelpunt van de rotoras, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het zeeniveau; bevoegd gezag Wet windenergie op zee: de Minister van Economische Zaken en Klimaat; continu gebruik: betreft het voortdurend in gebruik zijn van de windturbine behoudens periodes van onderhoud; cut-in windspeed: de laagste windsnelheid waarbij de turbine energie gaat leveren; dB re 1µPa2s: eenheid voor SEL; funderingsplan: plan waarin de vergunninghouder onder meer uiteenzet op welke wijze de funderingen worden geplaatst, welke geluidsbeperkende maatregelen worden genomen en op welke wijze het geluidsniveau van impulsgeluid wordt gemeten en gerapporteerd; geluidsniveau: het over de frequentiebanden gesommeerde bronniveau; geïnstalleerd vermogen: het vermogen van de productie-installatie dat onder normale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik, het tijdelijk te leveren vermogen van een booster is hierin niet inbegrepen; massale vogeltrek: een vogeldichtheid van 500 vogels op rotorhoogte per kilometer per uur; Mean Sea Level (MSL): de gemiddelde hoogte van de zeespiegel (het vlak van de zee), als alle variaties die het gevolg zijn van de getijden worden weggemiddeld; monitorings- en evaluatieprogramma: programma waarin de activiteiten zijn beschreven die door of namens de overheid worden uitgevoerd om de leemtes in kennis vast te stellen; nachtlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte minder of gelijk aan 50 cd/m2; normale condities: de gemiddelde meteorologische omstandigheden die gedurende 1 jaar in een bepaald gebied voorkomen; put (mijnbouw): boorgat dat na aanleg, inrichting en afwerking in gebruik is genomen; rotordiameter: de diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken; rotoroppervlak: het oppervlak van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken; SELss: Sound Exposure Level (single strike); tiphoogte: de ashoogte plus de halve rotordiameter; tiplaagte: de ashoogte min de halve rotordiameter; UXO-onderzoek: onderzoek naar de aanwezigheid van niet ontplofte munitie in de zeebodem vergunninghouder: houder van een vergunning op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee; windpark: een samenstel van voorzieningen waarmee elektriciteit met behulp van wind wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van elektriciteit met behulp van wind. Het windpark wordt geplaatst binnen de contour met de volgende coördinaten: Site VI Coordinates according EPSG 25831 Point No. Easting Northing S_01 549,259.1 5,840,513.5 S_02 558,353.9 5,851,409.2 S_03 559,589.1 5,849,713.0 S_04 556,672.6 5,834,433.9 S_05 555,572.5 5,832,506.4 De kaart met de ligging van kavel VI is opgenomen als bijlage bij deze voorschriften. Er worden geen windturbines geplaatst in de onderhoudszones van de pijpleidingen P6A-P6B, P6B-P6D, P6D-P9A, P6B-P6C, P6B-P6S en de veiligheidszones van het net op zee. Deze zones worden begrensd door de punten in onderstaande tabel en die ook zijn weergegeven op de kaart die als bijlage is opgenomen bij deze voorschriften. Site VI Coordinates according EPSG 25831 Point No. Easting Northing MZ_001 554.655,0 5.846.977,8 MZ_002 559.463,7 5.849.056,5 MZ_003 559.395,8 5.848.700,3 MZ_004 554.228,2 5.846.466,4 MZ_005 552.344,6 5.844.209,9 MZ_006 552.416,8 5.844.141,8 MZ_007 553.342,8 5.843.590,9 MZ_008 553.593,4 5.843.510,7 MZ_009 554.164,4 5.843.473,6 MZ_010 554.217,5 5.843.503,2 MZ_011 554.278,1 5.843.509,2 MZ_012 554.336,0 5.843.490,7 MZ_013 554.381,8 5.843.450,7 MZ_014 554.416,3 5.843.405,4 MZ_015 554.441,1 5.843.355,6 MZ_016 554.446,1 5.843.300,1 MZ_017 554.409,5 5.842.926,0 MZ_018 554.423,5 5.842.774,1 MZ_019 554.475,7 5.842.595,3 MZ_020 554.547,6 5.842.454,8 MZ_021 555.203,6 5.841.709,6 MZ_022 555.343,4 5.841.601,0 MZ_023 555.575,8 5.841.499,6 MZ_024 555.863,1 5.841.429,5 MZ_025 555.956,4 5.841.462,0 MZ_026 556.081,2 5.841.395,2 MZ_027 556.102,1 5.841.276,5 MZ_028 556.088,3 5.841.220,1 MZ_029 556.020,5 5.841.127,5 MZ_030 555.907,1 5.841.109,9 MZ_031 555.479,5 5.841.214,2 MZ_032 555.189,0 5.841.341,1 MZ_033 554.997,1 5.841.490,1 MZ_034 554.297,6 5.842.284,8 MZ_035 554.210,6 5.842.454,8 MZ_036 552.972,7 5.836.897,8 MZ_037 552.925,6 5.836.817,9 MZ_038 552.840,5 5.836.781,0 MZ_039 552.750,0 5.836.801,1 MZ_040 552.688,7 5.836.870,7 MZ_041 552.679,9 5.836.963,0 MZ_042 554.016,4 5.842.962,8 MZ_043 549.888,6 5.839.715,1 MZ_044 549.702,8 5.839.950,7 MZ_045 553.826,3 5.843.194,9 MZ_046 553.537,1 5.843.213,7 MZ_047 553.218,8 5.843.315,6 MZ_048 552.234,9 5.843.900,9 MZ_049 552.152,0 5.843.979,2 MZ_050 553.245,8 5.835.457,2 MZ_051 554.005,3 5.836.386,7 MZ_052 554.107,8 5.836.542,6 MZ_053 553.975,5 5.836.679,9 MZ_054 553.904,2 5.836.856,6 MZ_055 553.904,3 5.837.047,3 MZ_056 553.975,7 5.837.224,0 MZ_057 554.127,3 5.837.458,2 MZ_058 554.305,1 5.837.647,1 MZ_059 554.520,1 5.837.763,4 MZ_060 554.760,2 5.837.809,4 MZ_061 555.003,1 5.837.780,9 MZ_062 555.209,1 5.837.689,8 MZ_063 555.690,6 5.837.377,1 MZ_064 556.774,0 5.837.283,6 MZ_065 556.852,5 5.837.288,7 MZ_066 556.923,4 5.837.322,6 MZ_067 556.976,0 5.837.381,1 MZ_068 557.366,2 5.838.067,8 MZ_069 556.989,3 5.836.093,1 MZ_070 556.749,8 5.836.080,7 MZ_071 555.326,6 5.836.197,4 MZ_072 555.117,8 5.836.247,2 MZ_073 555.007,0 5.836.300,3 MZ_074 554.905,0 5.836.372,7 MZ_075 554.696,8 5.836.553,1 MZ_076 554.572,3 5.836.484,2 MZ_077 554.433,4 5.836.453,3 MZ_078 554.291,5 5.836.462,6 MZ_079 554.231,5 5.836.357,8 MZ_080 554.160,3 5.836.260,2 MZ_081 553.372,7 5.835.296,3 De rotorbladen van de windturbines blijven volledig binnen de in het eerste lid genoemde contour en volledig buiten de in het tweede lid genoemde onderhouds- en veiligheidszones. Het aantal op te richten windturbines is ten hoogste 60. In het windpark worden uitsluitend turbines geplaatst met, per turbine, een geïnstalleerd vermogen van ten minste 14 MW. De afstand tussen windturbines bedraagt ten minste vier maal de rotordiameter. De tiplaagte is ten minste 25 meter boven MSL. De tiphoogte is ten hoogste 304 meter boven MSL. De ashoogte is ten minste 135 meter boven MSL. Het totale rotoroppervlak is maximaal 2.624.613 m2. Een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW wordt in ieder geval aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Alpha). De toegestane funderingen voor de windturbines zijn: monopile; tripod; jacket; gravity based; suction bucket. Indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in dit lid is genoemd, zal hij de milieueffecten hiervan moeten bepalen. De milieueffecten worden voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Als opofferingsanodes gebruikt worden als kathodische bescherming van stalen constructies, bestaan deze uit legeringen van aluminium of magnesium. De legeringen mogen kleine hoeveelheden (<5 gewichtsprocent) andere metalen bevatten. Maatregelen ter voorkoming van permanente fysieke effecten bij bruinvissen en zeehonden en mortaliteit van vissen. Indien sprake is van een andere installatietechniek dan heien, maakt de vergunninghouder gebruik van een of meer op de relevante frequenties afgesteld(e) akoestisch(e) afschrikmiddel(en) gedurende een half uur voor het begin van de werkzaamheden, alsmede gedurende de eerste vijf minuten van de werkzaamheden. Deze procedure wordt herhaald indien de werkzaamheden gedurende een uur of langer onderbroken zijn. De vergunninghouder onderbouwt in het funderingsplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, welk(e) type(n) afschrikmiddel(en) gebruikt zal of zullen worden, waarbij hij ingaat op de effectiviteit van het of de gekozen type(n). De heiwerkzaamheden vangen aan met een lage hei-energie. De duur en het vermogen van de lage hei-energie dient zodanig te zijn dat bruinvissen de gelegenheid hebben om naar een veilige locatie te zwemmen. De vergunninghouder onderbouwt in het funderingsplan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, duur en vermogen van de lage hei-energie. De vergunninghouder kan van het bepaalde in onderdeel a van dit lid afwijken in het geval de in dat onderdeel bedoelde middelen meer geluid produceren dan de te hanteren installatietechniek op de relevante frequenties of een ter zake deskundige in het funderingsplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, motiveert dat de maatregel als zodanig niet bijdraagt aan het voorkomen van permanente effecten op het gehoor van bruinvissen. Maatregelen ter voorkoming van verstoring van bruinvissen, zeehonden en vissen (geluidsnorm). Als gevolg van de bouw van het windpark mag op enig moment het geluidsniveau onder water tijdens het heien de geluidsnorm van 168 dB µPa2s SELss (op 750 meter van de geluidsbron) niet overschrijden, behoudens het bepaalde in onderdeel b. De vergunninghouder mag bij de eerste tien funderingspalen de in onderdeel a vermelde geluidsnorm overschrijden met maximaal 2 dB re 1 μPa2s SELss. Het geluidsniveau bij heien (impulsgeluid) dient tijdens het funderen door de vergunninghouder continu gemeten te worden. De resultaten van de geluidsmetingen worden per fundering, uiterlijk 48 uur na de afronding van het plaatsen van de fundering, doorgestuurd naar de Minister van Klimaat en Groene Groei. Daarnaast deelt de vergunninghouder de meetgegevens van impulsgeluid na afronding van alle funderingswerkzaamheden met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ten behoeve van internationale rapportageverplichtingen. Wanneer na achtereenvolgende geluidsmetingen blijkt dat het geluidsniveau onder water tijdens het heien van de funderingspalen de in onderdeel a vermelde geluidsnorm niet overschrijdt, kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat worden verzocht toe te staan dat de frequentie van de geluidsmetingen wordt verlaagd. De vergunninghouder stelt een funderingsplan op en dient dat uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform het funderingsplan als bedoeld in onderdeel e. De vergunninghouder spant zich in om in een zo kort mogelijke aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren. In het funderingsplan als bedoeld in onderdeel e kan voor test- en onderzoeksdoeleinden passend binnen de wet- en regelgeving en met een openbaar belang worden afgeweken van de geluidsnorm als bedoeld in onderdeel a. De afwijking is beperkt tot het voor de proef strikt noodzakelijke en geldt voor ten hoogste drie funderingspalen, en maximaal 25 minuten per paal. De afwijking wordt in het funderingsplan gemotiveerd. De motivering bevat ten minste: nut en noodzaak van de afwijking; een beschrijving van de te hanteren techniek en middelen; het voorziene geluidsniveau, de voorziene duur van de normoverschrijding in de onderscheidende fasen van het heiproces en het voorziene aantal bruinvisverstoringsdagen; een beschrijving van de maatregelen om het geluidsniveau zoveel mogelijk te beperken; de wijze van monitoring en verwerking van onderzoeksresultaten; de termijn waarbinnen de onderzoeksresultaten worden gedeeld met de Minister van Economische Zaken en Klimaat. In het geval (mede) gebruik wordt gemaakt van een techniek die geen impulsgeluid veroorzaakt bevat het funderingsplan, bedoeld in onderdeel e, een berekening van het aantal bruinvisverstoringsdagen door een ter zake deskundige, waaruit volgt dat het aantal bruinvisverstoringsdagen als gevolg van werkzaamheden bij de aanleg van het windpark ten hoogste 58.193 bedraagt. Maatregelen ter beperking van aanvaringsslachtoffers onder vogels op rotorhoogte bij massale vogeltrek. In nachten (tussen zonsondergang en zonsopkomst), gedurende de periode waarin sprake is van massale vogeltrek, aan te geven door de Minister van Economische Zaken en Klimaat, wordt het aantal rotaties per minuut per windturbine tot minder dan twee gebracht. De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan de plaatsing en installatie van een systeem dat de daadwerkelijke vogeltrek waarneemt op de daarvoor door de overheid bepaalde plek(ken). Dit betreft onder meer het ter beschikking stellen van bevestigingsconstructies aan de aangewezen turbines. Voor de plaatsing en installatie van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder van het windpark. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen. De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur. Voor het beheer en onderhoud van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder van het windpark. De vergunninghouder geeft jaarlijks op 1 februari en 1 augustus in een rapportage aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan hoe en op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven in de voorgaande zes maanden. Maatregelen voor het voorkomen van aanvaringsslachtoffers van vleermuizen op rotorhoogte. In nachten (tussen zonsondergang en zonsopkomst) gedurende de periode 25 augustus tot 10 oktober, is de cut-in-windspeed op ashoogte van de turbines (ook) aangepast aan de temperatuur en windrichting, en bedraagt deze zoals weergegeven in onderstaande tabel. Aangepaste cut-in windspeed [m/s] bij verschillende windrichtingen en temperaturen Windrichting Temperatuur (graden Celsius) N NNO NOO O ZOO ZZO Z ZZW ZWW W NWW NNW <11 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 11–15 3.5 4.5 5.5 6 5.5 5.5 3.5 3.5 3.5 3 3 3 >15 3.5 4.5 5.5 6 5.5 5.5 4.0 3.5 3.5 3 3 3 Bij een windsnelheid lager dan de cut-in-windspeed, bedoeld in onderdeel a, brengt de vergunninghouder in de nachten, bedoeld in onderdeel a, het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan twee. Metingen van windsnelheid, windrichting en temperatuur en berekeningen van zonsondergang en zonsopkomst worden per turbine uitgevoerd, met (voor metingen) tijdsintervallen van ten hoogste twintig minuten, waarbij telkens de laatste tijdsinterval-meting bepalend is voor de toepassing van de maatregelen als bedoeld in onderdelen a en b. De vergunninghouder geeft binnen twee maanden na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, in een rapportage naar de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven. Maatregelen ter beperking van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Bij het verrichten van aanleg- en verwijderingswerkzaamheden worden adequate maatregelen getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beperken. De vergunninghouder geeft in de in artikel 6.16e, derde lid, van het Waterbesluit genoemde werkplannen voor de aanleg en verwijdering van het windpark aan welke emissiebeperkende maatregelen als bedoeld in onderdeel a worden ingezet. De vergunninghouder geeft in een plan van aanpak aan welke vaartuigen voor het onderhoud van het windpark worden ingezet en toont middels een bijgevoegde AERIUS berekening aan dat de stikstofdepositie in de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als gevolg van de inzet van deze vaartuigen niet meer dan 0,00 mol N/ha/jr bedraagt. De in onderdeel b genoemde werkplannen en het in onderdeel c genoemde plan van aanpak worden uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark (ook) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform de plannen als bedoeld in onderdelen b en c. Maatregelen ter beperking van de verstoring van zeehonden en vogels tijdens constructie- en onderhoudswerkzaamheden. De schepen die door de vergunninghouder worden ingezet, moeten bij hun vaarbewegingen rekening houden met de aanwezigheid van zeehonden op de aanwezige platen en de aangewezen rustgebieden alsmede rekening te houden met aanwezige vogelconcentraties. Hierbij dienen de maatregelen zoals genoemd in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone in acht te worden genomen. De bepalingen uit de betreffende Beheerplannen zijn opgenomen in de bijlage bij dit voorschrift. Dit voorschrift vervalt op het moment dat in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone de schepen zoals bedoeld in de eerste volzin van onderdeel a zijn opgenomen als bestaand gebruik. Maatregelen ter vergroting van het geschikte habitat voor van nature in de Noordzee voortkomende soorten. Als stenen of andere materialen gebruikt worden als erosiebescherming rondom de windturbinefundatie, dan dient bij minimaal 20 procent van alle turbines het geheel van de bovenste gradatie van de erosiebescherming zo te worden ontworpen dat geen beweging plaatsvindt bij stormcondities met een herhalingsperiode van één jaar. De onder a genoemde bovenste gradatie van de erosiebescherming dient minimaal twee spleten of holtes per vierkante meter oppervlak te bevatten van minimaal 10 tot maximaal 30 centimeter in diameter en minimaal 20 tot maximaal 50 centimeter diep. Het ontwerp is zodanig dat sedimentatie in de holtes wordt geminimaliseerd. Onverminderd het onder a bepaalde, mag de verplichting onder b op een alternatieve wijze worden ingevuld door op of in de onder a genoemde bovenste gradatie van de erosiebescherming zes kunstmatige structuren per turbine te installeren. Deze structuren dienen stabiel op de erosiebescherming te staan of daarin (gedeeltelijk) te zijn ingebed en dienen zich te bevinden buiten de door de turbinepaal in de dominante stromingsrichting gecreëerde turbulentie. Het ontwerp is zodanig dat sedimentatie in de holtes wordt geminimaliseerd. Van de onder c bedoelde kunstmatige structuren zijn (combinaties van) de volgende structuren toegestaan: buizen, geheel cilindervormig of met een hexagonale buitenzijde en een cilindervormige binnenzijde, met zowel een lengte als diameter van minimaal 100 cm. Daarbij dient steeds een van de buisuiteinden te allen tijde toegankelijk te zijn, en is een buis aan de bovenzijde voorzien van minimaal vier gaten van minimaal 15 en maximaal 30 cm per meter om wateruitwisseling te garanderen. bol- of kubusvormige structuren met een binnendiameter van minimaal 100 cm en toegankelijk door minimaal 6 en maximaal 15 openingen met een diameter variërend van 15 tot 50 cm; overige structuren die minimaal 6 afzonderlijke holtes bevatten met de volgende dimensies: minimaal 10 tot maximaal 30 centimeter diameter en minimaal 20 tot maximaal 50 centimeter diepte. Onverminderd het onder a en c bepaalde mogen andere dan de onder d aangegeven (combinaties van) kunstmatige structuren worden geïnstalleerd. De afmetingen van holtes en openingen en de aantallen openingen van deze structuren dienen zodanig te zijn, dat de structuren op vergelijkbare wijze een habitat bieden aan de beoogde soorten als de onder d aangegeven structuren. Daarbij dient de vergunninghouder ook te voorzien in een locatiespecifiek monitoringsprogramma om de effecten van de maatregelen te kunnen vaststellen. De vergunninghouder stelt een plan van aanpak op voor de te nemen maatregelen en dient dat uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform het plan als bedoeld in onderdeel f. Maatregelen ter bescherming van (afgesloten) mijnbouwputten. Er worden geen turbines en kabels geplaatst binnen een straal van 100 meter van de mijnbouwputlocaties in onderstaande tabel. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan. Site VI Coordinates according EPSG 25831 Point No. Easting Northing BH_01 556,359.0 5,842,226.0 BH_02 554,264.0 5,843,361.0 BH_06 555,958.0 5,841,313.0 BH_08 552,833.0 5,836,933.0 Indien een (afgesloten) mijnbouwput niet met een afstand van 100 meter gemeden kan worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, dient voorafgaand aan het leggen van kabels en/of het plaatsen van de fundering van de windturbine een nader onderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat geen veiligheidsrisico’s kunnen optreden. De resultaten van het in onderdeel b genoemde onderzoek worden uiterlijk drie maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Maatregelen ter bescherming van archeologie en cultuurhistorie. Indien de locaties met mogelijk archeologisch waardevolle objecten die vermeld zijn in de bijlage bij dit voorschrift met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, dient voorafgaand aan het leggen van de kabels en het plaatsen van de funderingen van de windturbines een nader Inventariserend Veldonderzoek (IVO) (verkennend onderwateronderzoek) te worden verricht voor deze locaties naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten. Dit onderzoek dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan. Indien de begraven ijzerhoudende objecten die vermeld zijn in de bijlage bij dit voorschrift met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, dient het UXO-onderzoek terplekke archeologisch te worden begeleid. Deze begeleiding dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd. De resultaten van de onder onderdeel a en b genoemde onderzoeken worden uiterlijk zes maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Afhankelijk van de conclusies uit het onder onderdeel a en b genoemde onderzoeken: kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden; is een vervolgonderzoek nodig; worden fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen; worden vindplaatsen definitief uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone; worden de werkzaamheden archeologisch begeleid. De vergunninghouder stelt een plan op waarin wordt uiteengezet op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de eisen voortvloeiend uit dit voorschrift en artikel 6.16f van het Waterbesluit, en dient dat uiterlijk drie maanden voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Maatregelen ter beperking van hinder door verlichting, het verminderen van de zichtbaarheid van het windpark en het bevorderen van de veiligheid voor zeevarenden. Aeronautische obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines zijn vastbrandende rode lichten. Indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 5 kilometer, wordt de nominale lichtintensiteit van deze aeronatische obstakellichten tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 30 procent verlaagd, indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 10 kilometer wordt de intensiteit tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 10 procent verlaagd. Op aanwijzing van de Minister van Economische Zaken en Klimaat of de Kustwacht wordt het windpark geheel of gedeeltelijk verlicht in het geval van een reddingsoperatie in of in de directe omgeving van het windpark. De mast, de gondel en de bladen van de windturbines worden uitgevoerd in de kleur lichtgrijs (RAL 7035). Alle turbines zijn voorzien van nautische herkenningstekens/identificatiecodes die indirect en overkapt zijn verlicht met een eigen lichtbron van lage lichtsterkte. De herkenningstekens zijn met intervallen van 120 graden gepositioneerd op het transitiestuk of de mast. De identificatiecodes zijn duidelijk leesbaar vanaf een positie op 3 meter boven MSL en ten minste 150 meter afstand van de turbine. In afwijking van artikel 7.40, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, stelt de vergunninghouder de melding, bedoeld in artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, op in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ en de IALA-richtlijn G1162. Onverminderd het bepaalde in onderdeel f van dit lid, kan de vergunninghouder in de melding, bedoeld in artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het belang van de bescherming van vogels of in het belang van onderzoek naar de bescherming van vogels, afwijken van de onderdelen b en d van dit lid. Maatregel ter bevordering van de scheepvaartveiligheid en handhaving in en rond het windpark. De vergunninghouder is verplicht om zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan de plaatsing en installatie van nautische apparatuur die de scheepsbewegingen in en rond het windpark kan waarnemen op de door de overheid bepaalde plek(ken). Dit betreft onder meer het ter beschikking stellen van bevestigingsconstructies aan de aangewezen turbines. Voor de plaatsing en installatie van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder van het windpark. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen. De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur. Voor het beheer en onderhoud van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder van het windpark. Maatregel ter bevordering van de veiligheid bij reparaties en onderhoud aan kabels en leidingen. Tijdens reparaties en onderhoud van kabels en leidingen moet het aantal rotaties per minuut per windturbine van de windturbines die zich in een straal van 1.000 meter van de reparatie- en onderhoudslocatie bevinden, tot minder dan twee worden teruggebracht. Monitorings- en evaluatieprogramma De Minister van Economische Zaken en Klimaat laat een monitorings- en evaluatieprogramma opstellen. De vergunninghouder werkt zonder financiële tegenprestatie mee aan de uitvoering van dit monitorings- en evaluatieprogramma. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen. De Minister van Economische Zaken en Klimaat maakt de gegevens die voortkomen uit het monitorings- en evaluatieprogramma openbaar. Ten behoeve van de uitvoering van het monitoring- en evaluatieprogramma werkt de vergunninghouder mee ten aanzien van onder meer: toegang tot het windpark met vaartuigen ten behoeve van tellingen van natuurwaarden; toegang tot de bodem van een windpark en het nemen van monsters; het (laten) bevestigen van apparatuur zoals camera’s en batdetectors op of aan (onderdelen van) de windturbines en toegang ten behoeve van beheer en onderhoud van deze apparatuur; het (laten) bevestigen van radar op of aan (onderdelen van) de windturbines en toegang ten behoeve van beheer en onderhoud van deze radars; het (laten) bevestigen van meetapparatuur (bijvoorbeeld meetboeien, c-pods etc.) in het windpark en toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur; het beschikbaar stellen van bandbreedte op de datakabel. De vergunninghouder verstrekt driemaal inzicht in de aan lokale en regionale ondernemingen gegunde opdrachten voor ontwerp, bouw en exploitatie van het windpark uitgesplitst naar toeleveranciers, havens, (onder)aannemers en ondersteunende dienstverleners en de geschatte daaruit voortvloeiende omzet en werkgelegenheid. De eerste rapportage wordt uiterlijk twee jaar na de datum van afgifte van de vergunning overgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Het tweede rapport wordt uiterlijk vijf jaar na de datum van afgifte van de vergunning overgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Voor het laatst vindt overlegging plaats acht jaar na de datum van afgifte van de vergunning. De vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 35 jaar. De vergunninghouder verwijdert het windpark uiterlijk twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning. Uiterlijk op het moment dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bewijs heeft ontvangen dat Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom stelt de vergunninghouder zich garant door middel van een bankgarantie aan de Staat voor een bedrag van € 120.000 per geïnstalleerde MW ten bate van de verwijdering van het windpark. De vergunninghouder verhoogt het in het eerste lid genoemde bedrag jaarlijks met 2 procent als gevolg van indexatie gedurende een periode van twaalf jaar na afgifte van de bankgarantie. Na een periode van twaalf jaar exploitatie, 24 jaar exploitatie en één jaar voor het tijdstip van verwijdering verzoekt de vergunninghouder de Minister van Economische Zaken en Klimaat om zowel het bedrag genoemd in het eerste lid als de indexatie daarvan opnieuw vast te stellen. Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Artikel Vogels (zie lijst hieronder) 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Rosse vleermuis Nyctalus noctula 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming Bruinvis Phocoena phocoena 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming Vogelsoorten kleine zwaan torenvalk velduil roodborst kleine rietgans smelleken gierzwaluw nachtegaal grauwe gans boomvalk kauw blauwborst kolgans slechtvalk roek zwarte roodstaart grote Canadese gans waterral goudhaan gekraagde roodstaart brandgans waterhoen zwarte mees paapje rotgans meerkoet boomleeuwerik roodborsttapuit bergeend scholekster veldleeuwerik tapuit tafeleend kluut strandleeuwerik bonte vliegenvanger kuifeend bontbekplevier oeverzwaluw heggenmus topper goudplevier boerenzwaluw ringmus krakeend zilverplevier huiszwaluw gele kwikstaart smient kievit tjiftjaf noordse kwikstaart slobeend kanoet fitis grote gele kwikstaart wilde eend drieteenstrandloper grasmus witte kwikstaart pijlstaart bonte strandloper tuinfluiter rouwkwikstaart zomertaling watersnip zwartkop boompieper wintertaling houtsnip sprinkhaanzanger graspieper eider grutto snor oeverpieper kleine jager rosse grutto spotvogel vink kwartel regenwulp kleine karekiet keep blauwe reiger wulp rietzanger groenling lepelaar oeverloper pestvogel putter dodaars zwarte ruiter winterkoning sijs fuut groenpootruiter spreeuw kneu roodhalsfuut tureluur beflijster grote barmsijs kuifduiker steenloper merel kruisbek geoorde fuut kokmeeuw kramsvogel goudvink bruine kiekendief dwergstern zanglijster appelvink blauwe kiekendief zwarte stern koperwiek sneeuwgors sperwer koekoek grote lijster ijsgors visarend ransuil grauwe vliegenvanger rietgors alk grote mantelmeeuw noordse stern visdief drieteenmeeuw jan-van-gent noordse stormvogel zeekoet dwergmeeuw kleine mantelmeeuw stormmeeuw zilvermeeuw Maatregelen uit het Beheerplan Voordelta116https://www.noordzeeloket.nl/images/Natura%202000%20Beheerplan%20Voordelta%202015-2021_5002.pdf, het Beheerplan Deltawateren117http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/DW_Deltawateren/documenten+deltawateren/default.aspx#folder=648248, Beheerplan Noordzeekustzone118http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389024 en Beheerplan Waddenzee119https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_151769_31/. Het om de volgende rustgebieden: Slikken van Voorne (Voordelta); Hinderplaat (Voordelta); Bollen van de Ooster (Voordelta); Middelplaat (voorheen Verklikkerplaat) (Voordelta); Bollen van het Nieuwe Zand (Voordelta). Bij deze gebieden zijn de volgende voorwaarden beschreven: Buiten de winterrustgebieden blijven (in ieder geval geen toegang in de periode 15 december - 1 april) en op ruime afstand (>1.500 m, of zoveel als minimaal haalbaar) van de rustgebieden varen om effecten in de rand-zone van het rustgebied te minimaliseren. Minimaal 1.200 meter afstand van vaste rustgebieden voor zeehonden (zandplaten bij Middelplaat, Bollen van de Ooster en Hinderplaat). Wanneer dit niet mogelijk is, dient in ieder geval verstoring van pups te worden voorkomen. Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (mei-juli) van de gewone zeehond. Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (dec-feb) van de grijze zeehond. Verder gaat het in het gebied om de volgende belangrijke platen: Roggenplaat (voor rusten, verharen, zogen) (Oosterschelde); Galgeplaat (of Vondelingsplaat, voor verharen en rusten) (Oosterschelde); Zimmermangeul (Westerschelde); Rug van Baarland (Westerschelde); de Middelplaat (Westerschelde); de Hooge Platen (Westerschelde); Everingen (Westerschelde); Plaat van Breskens (Westerschelde); de Platen van Ossenisse (Westerschelde); de Platen van Valkenisse (Westerschelde). Hiervan zijn als rustgebieden aangewezen: Hooge Platen; Hooge Springer; Rug van Baarland; platen van Valkenisse. Platen en rustgebieden in de Waddenzee en Noordzeekustzone staan weergegeven in: http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389032 http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=343139 Bij de aanwezigheid van op de platen rustende zeehonden zal een minimale afstand van 1.200 meter aangehouden moeten worden. Ten aanzien van concentraties rustende vogels dient buiten de vaargeul een afstand te worden gehouden van 500 meter. Point No. Easting Northing Point No. Easting Northing S_0039 536556 5817013 NCN2091 551689 5838477 S_0093 538628 5824408 NCN2098 554783 5842860 S_0095 538755 5824686 NCN2250 548149 5832487 S_0096 538786 5824717 NCN2469 555444 5845242 S_0336 544748 5823694 NCN2809 554440 5845409 S_0353 547417 5836653 NCN2063 540648 5829062 S_0401 544499 5821369 NCN2090 549558 5838909 S_0412 544989 5819800 NCN2097 551880 5843043 S_0413 544995 5819792 NCN2100 558429 5842871 S_0679 553839 5842543 NCN2844 553958 5830158 NCN2056 540645 5828700 NCN2845 554572 5833117 NCN2064 540162 5829452 NCN9226 556213 5832620 Point No. Easting Northing Point No. Easting Northing Point No. Easting Northing M_0031 536229 5819259 M_0633 544232 5826063 M_1492 552185 5833004 M_0060 536633 5822430 M_0664 544643 5819585 M_1536 552412 5833646 M_0087 536955 5822654 M_0712 545293 5828310 M_1575 552739 5837522 M_0140 537629 5814965 M_0727 545537 5831218 M_1576 552740 5837522 M_0168 538075 5816129 M_0747 545724 5836432 M_1617 552995 5833058 M_0169 538087 5816136 M_0765 545851 5821216 M_1651 553211 5843184 M_0185 538445 5818071 M_0768 545886 5818770 M_1749 553687 5835632 M_0197 538633 5824401 M_0775 545967 5827624 M_1758 553782 5846675 M_0204 538833 5822329 M_0781 546038 5830145 M_1765 553820 5837386 M_0219 538986 5822208 M_0799 546233 5834870 M_1826 554162 5829393 M_0226 539047 5819118 M_0861 546725 5819870 M_1834 554201 5830893 M_0233 539209 5829003 M_0904 547046 5837513 M_1857 554330 5838860 M_0290 539787 5823417 M_0919 547171 5820013 M_1892 554572 5844458 M_0296 539822 5821164 M_0925 547239 5823738 M_1895 554599 5839710 M_0313 540057 5829326 M_1035 547881 5825908 M_1899 554621 5846424 M_0331 540259 5830359 M_1037 547909 5822979 M_1934 554836 5829392 M_0337 540338 5830792 M_1068 548232 5824052 M_1950 554920 5841940 M_0338 540346 5817488 M_1075 548315 5829869 M_1983 555212 5829091 M_0356 540596 5818770 M_1113 548694 5826473 M_1984 555213 5829086 M_0360 540653 5823892 M_1116 548708 5826535 M_2013 555394 5839849 M_0393 541141 5828941 M_1140 548910 5832541 M_2037 555505 5832192 M_0402 541241 5818256 M_1223 549781 5836360 M_2094 555843 5833007 M_0405 541266 5817334 M_1236 549876 5836350 M_2144 556173 5849701 M_0413 541348 5830019 M_1244 549939 5827092 M_2201 556593 5836926 M_0468 542118 5825679 M_1245 549943 5827592 M_2209 556640 5845104 M_0493 542475 5832918 M_1247 549949 5842179 M_2239 556865 5837172 M_0497 542575 5823780 M_1252 549999 5836411 M_2263 557105 5838473 M_0498 542578 5821711 M_1337 550847 5828221 M_2279 557325 5843366 M_0513 542768 5827335 M_1341 550883 5829837 M_2294 557492 5844762 M_0579 543667 5827944 M_1392 551321 5834340 M_2311 557775 5839492 M_0583 543697 5825803 M_1405 551477 5830930 M_2377 558797 5851070 M_0631 544221 5826060 M_1407 551483 5830926 M_2379 558807 5845424 M_0632 544228 5826059 M_1419 551601 5827779 M_2385 558877 5848256 M_2060 555689 5830536 M_1439 551752 5831372 M_2394 559019 5845986 M_0382 540905 5819187 M_1465 552003 5837348 M_2423 559486 5847380 M_1842 554250 5846031 M_1865 554359 5845984

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel