De rechtvaardiging voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting is dat het bescheiden resultaat van stichtingen en verenigingen, die slechts kleinschalige ondernemingsactiviteiten verrichten, niet opweegt tegen de administratieve lasten en uitvoeringskosten waarmee de heffing van vennootschapsbelasting gepaard gaat.1Kamerstukken II, 2011/12, 33 006, nr. 6, blz. 12
Een stichting of vereniging is subjectief vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting als de winst van het jaar “niet meer bedraagt dan € 15.000, dan wel van het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedraagt dan € 75.000” (artikel 6, eerste lid, Wet Vpb). Uit deze regeling volgt dat de vrijstelling van toepassing is als de winst van een stichting of vereniging in het desbetreffende jaar het bedrag van € 15.000 niet overschrijdt (eerste winstgrens). Bedraagt de winst in het desbetreffende jaar meer dan € 15.000, dan is de vrijstelling toch van toepassing als de winst van dat jaar zelf samen met de winsten van de vier voorafgaande jaren niet meer bedraagt dan € 75.000 (tweede winstgrens).
Met het gebruik van de winstgrenzen wordt beoogd te voorkomen dat grote(re) verenigingen en stichtingen met professionele ondernemingen met fluctuerende resultaten een beroep op de vrijstelling kunnen doen. Om deze reden is in de wettekst opgenomen dat bij verliesjaren de winst van dat jaar – alleen voor de beoordeling van de vraag of de voor de vrijstelling geldende winstgrenzen al dan niet worden overschreden -op nihil moet worden gezet.2Zie ook Kamerstukken II, 2011/12, 33 006, nr. 3, blz. 18
Een stichting behaalt in de jaren 1 tot en met 5 de volgende winsten:
Jaar 1:
-/-
€ 30.000
Jaar 2:
€ 15.000
Jaar 3:
-/-
€ 30.000
Jaar 4:
€ 10.000
Jaar 5:
€ 60.000
De stichting is in de jaren 1 tot en met 4 subjectief vrijgesteld, omdat de winst per jaar niet meer dan € 15.000 bedraagt. In het vijfde jaar is de vrijstelling niet meer van toepassing. De winst van dat jaar bedraagt samen met de winsten van de vier voorafgaande jaren meer dan € 75.000, doordat de winsten in de verliesjaren voor de berekening van de winstgrenzen op nihil moeten worden gezet. De winst van € 60.000 wordt volledig in de belastingheffing betrokken.
Als de winst in een jaar hoger is dan € 15.000 moet voor de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de voor de vrijstelling geldende winstgrenzen niet alleen naar de winst van het jaar zelf (eerste winstgrens) maar ook naar de winsten van de vier voorafgaande jaren worden gekeken. De vrijstelling geldt als over deze vijf jaren de winst niet meer bedraagt dan € 75.000 (tweede winstgrens). De vraag is opgekomen hoe de tweede winstgrens uitwerkt bij een stichting of vereniging die nog geen vijf jaar een onderneming drijft. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:51, volgt dat voor de tweede winstgrens van € 75.000 het niet relevant is of de stichting of vereniging minder dan vijf jaar bestaat of pas in een later jaar dan haar oprichting een onderneming is gaan drijven en daardoor nog geen vijf jaren zijn verstreken. Dit betekent dat een stichting of vereniging in de loop van de eerste vijf jaren pas belastingplichtig wordt als de jaarwinst meer bedraagt dan € 15.000 én de cumulatieve positieve winst over die jaren meer bedraagt dan € 75.000. Zie in dit verband ook onderdeel 3.1 van dit besluit.
Een stichting drijft met ingang van haar oprichtingsdatum een onderneming. In jaar 1 behaalt de stichting een winst van € 15.000. In jaar 2 bedraagt de winst € 27.000. De stichting is in jaar 1 vrijgesteld, omdat de winst in dat jaar niet meer bedraagt dan € 15.000 (eerste winstgrens). In jaar 2 is de vrijstelling eveneens van toepassing. De winst van jaar 2 bedraagt weliswaar meer dan € 15.000 maar samen met de winst van jaar 1 niet meer dan € 75.000 (tweede winstgrens).
Een stichting drijft met ingang van haar oprichtingsdatum een onderneming. In jaar 1 behaalt de stichting een winst van € 15.000, in jaar 2 bedraagt de winst € 27.000 en in jaar 3 bedraagt de winst € 39.000. De stichting is in jaar 3 belastingplichtig, omdat de winst in dat jaar meer bedraagt dan € 15.000 (de eerste winstgrens) en samen met de winst van jaar 1 en 2 meer bedraagt dan € 75.000. De winst van € 39.000 wordt volledig in de belastingheffing betrokken.
Artikel 2
Winstgrenzen
Onderdeel van Vennootschapsbelasting, subjectieve vrijstelling voor stichtingen en verenigingen (artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 31 maart 2022