Zorgaanbieders maken mogelijk extra kosten in verband met het SARS-CoV-2 virus waardoor de zorg veilig en verantwoord kan worden geleverd. Deze extra kosten worden onderverdeeld in:
personele kosten;
materiële kosten.
Deze regeling voor het vergoeden van extra kosten ziet op de extra gemaakte kosten die worden gemaakt in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.
Op basis van de RIVM-richtlijnen en Rijksbrede maatregelen is het mogelijk een vergoeding te verkrijgen voor de volgende onderdelen:
Persoonlijke beschermingsmiddelen;
Vaccinatiekosten (zowel personele als materiële meerkosten);
Inzet vervangend personeel bij hoog ziekteverzuim;
Extra kosten (vervoer naar) dagbesteding volgend uit het afstandscriterium;
De kosten van zelftesten voor zorgpersoneel en bewoners;
De extra personele kosten van het personeel dat beschikbaar moet zijn en werkt om cliënten op de cohort-units te verzorgen en de extra materiële kosten behorende bij cohort-units;
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-192https://lci.rivm.nl/richtlijnen/covid-19 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen. Dit betekent dat de voorwaarden voor vergoeding veranderen indien deze richtlijnen wijzigen of Rijksbrede maatregelen worden genomen. Indien maatregelen en richtlijnen worden afgeschaald, worden de voorwaarden voor vergoeding beperkt.
Onder personele kosten worden de volgende soorten van kosten verstaan:
kosten van het zorgpersoneel;
kosten van het niet-zorgpersoneel.
Het betreft de daadwerkelijke loonkosten of kosten van inhuur.
Voor de loonkosten mogen de volgende kosten worden meegenomen:
directe loonkosten: salaris, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en onregelmatigheidstoeslag;
indirecte loonkosten: pensioenkosten, reiskosten, onkostenvergoedingen, secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals inkomenszekerheid bij arbeidsongeschiktheid of een Anw-gatverzekering, kosten voor eventuele personeelsverzekeringen, zoals een ziekteverzuimverzekering;
verplichte premies en bijdragen: loonbelasting, premie volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz), premies werknemersverzekeringen (WW, WAO, WIA en ZW), inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) (werkgeversheffing en eventuele bijdrage Zvw) of BTW indien er geen vrijstelling is.
Onder extra personele kosten worden verstaan de kosten die gemaakt zijn in de periode 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 en het gevolg zijn van de uitbraak van het SARS-CoV-2 virus en samenhangen met de maatregelen van het kabinet of als gevolg van maatregelen die volgen uit RIVM-richtlijnen.
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-193https://lci.rivm.nl/richtlijnen/covid-19 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen.
Het gaat hierbij om de extra kosten die nodig zijn om de gebruikelijke en (aanvullend) noodzakelijke zorg veilig en verantwoord te leveren.
De personele kosten die voortvloeien uit de volgende omstandigheden komen voor vergoeding in aanmerking:
extra personeelsinzet als gevolg van een hoger ziekteverzuim onder personeel ten opzichte van 2019, waaronder ook wordt verstaan het thuis blijven in afwachting van de uitslag van een corona-test of in verband met quarantaine. Het gaat hier om het ziekteverzuimpercentage van geheel 2019 en geheel 2022.
extra personeelskosten noodzakelijk voor het veilig vaccineren van bewoners en/of medewerkers/vrijwilligers;
kosten apothekers (inzet vaccinatie proces);
extra personeelsinzet dagbesteding volgend uit de afstandsnorm van 1,5 meter omdat in kleinere en dus meerdere groepen dagbesteding wordt geleverd (in verband met de Rijksbrede maatregelen of RIVM-richtlijnen);
de extra personele kosten van het personeel dat beschikbaar moet zijn en werkt om cliënten op de cohort-units te verzorgen;
Onder materiële kosten worden de volgende soorten van kosten verstaan: kosten van voeding, hotelmatige kosten, cliënt- en bewonersgebonden kosten, vervoerskosten, algemene kosten, terrein- en gebouwgebonden kosten, en afschrijvingen/huur.
Onder extra materiële kosten worden verstaan de kosten die gemaakt zijn in de periode 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 en het gevolg zijn van de uitbraak van het SARS-CoV-2 virus en samenhangen met de maatregelen van het kabinet of als gevolg van maatregelen die volgen uit RIVM-richtlijnen. Het gaat hierbij om de extra kosten die nodig zijn om de gebruikelijke en (aanvullend) noodzakelijke zorg veilig, verantwoord te leveren.
De mogelijkheden voor vergoeding zijn gekoppeld aan de LCI-richtlijn COVID-194https://lci.rivm.nl/richtlijnen/covid-19 van het RIVM (de RIVM-richtlijnen) en Rijksbrede maatregelen.
De volgende materiële kostenposten komen, voor zover ze samenhangen met de omstandigheden geformuleerd onder artikel 4, tweede lid, onder b, van deze beleidsregel in elk geval voor vergoeding in aanmerking:
kosten voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) volgens de daarvoor opgestelde RIVM-richtlijn5https://lci.rivm.nl/covid-19/PBMbuitenziekenhuis, COVID-19 | LCI richtlijnen (rivm.nl) om besmetting onder zorgpersoneel en kruisbesmetting tussen zorgpersoneel en bewoners te voorkomen;
extra vervoerskosten dagbesteding volgend uit de afstandsnorm van 1,5 meter;
(Huur)kosten van extra ruimtes voor de dagbesteding om de 1,5 meter te kunnen waarborgen;
de kosten van zelftesten voor zorgpersoneel en bewoners;
extra materiële kosten apothekers (inzet vaccinatie proces);
extra materiële kosten noodzakelijk voor het veilig vaccineren van bewoners en/of medewerkers/vrijwilligers.
extra diagnostiekkosten bewoners als gevolg van laboratoriumkosten;
extra diagnostiekkosten personeel als gevolg van laboratoriumkosten;
materiële kosten gerelateerd aan de inzet van cohort-units, voorzover deze kosten niet redelijkerwijs zijn verdisconteerd in bestaande vergoedingen zoals de nhc- en nic-component van het zzp.
Indien sprake is van extra kosten waarbij de kosten/investering in meerdere jaren worden afgeschreven, worden de gebruikelijke afschrijvingstermijnen gehanteerd.
De afschrijvingstermijnen van immateriële en materiële vaste activa worden gebaseerd op de verwachte economische levensduur van het vast actief. Hierbij zijn de uitgangspunten van toepassing zoals gesteld in de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ): Richtlijn 212 ‘Materiële vaste activa’.
Waarbij alleen de afschrijvingskosten behorende bij het jaar 2022 voor vergoeding in aanmerkingen komen.
Een deel van de extra kosten die voortvloeien uit het SARS-CoV-2 virus wordt mogelijk al vergoed op grond van andere opbrengsten. Deze extra kosten zijn daardoor uitgesloten van vergoeding.
Alleen extra kosten worden vergoed die noodzakelijk zijn voor een veilige en verantwoorde levering van de zorg.
Tot de vergoeding van extra kosten worden de volgende kosten in elk geval niet gerekend:
alle kosten die vergoed kunnen worden als gevolg van een door de zorgaanbieder afgesloten verzekering. Bijvoorbeeld de kosten van ziekteverzuim waarvoor de zorgaanbieder een (loondoorbetalings)vergoeding ontvangt als gevolg van een afgesloten ziekteverzuimverzekering;
het deel van de kosten waarvoor een subsidie is aangevraagd en toegekend, bijvoorbeeld op grond van de Stimuleringsregeling E-health Thuis of de Subsidieregeling coronabanen in de zorg (COZO);
het deel van de kosten dat op grond van andere wet- en regelgeving of door een andere instantie wordt vergoed, omdat de cliënt dit vanwege de gekozen leveringsvorm niet op grond van de Wlz bekostigd krijgt. Bijvoorbeeld geneesmiddelen bij afname van een modulair pakket thuis (mpt), vpt of zzp exclusief behandeling.
De vergoeding van extra gemaakte kosten is geen onderdeel van de productieafspraak.
De NZa zal de vergoeding voor de extra kosten als gevolg van het SARS-CoV-2 virus opnemen in het sluittarief.
Artikel 4
Financiering van extra gemaakte kosten
Onderdeel van Beleidsregel SARS-CoV-2 virus extra kosten Wlz 2022· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 7 april 2022