De raad van bestuur stelt vast of een aanvrager, vergunninghouder, bedrijfsleider of beheerder van een exploitatie in enig opzicht van slecht levensgedrag is, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, en artikel 7 van het besluit, op basis van:
feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de aanvrager, vergunninghouder, bedrijfsleider of beheerder betrokken was bij een of meer antecedenten;
het tijdsverloop tussen en na de antecedenten;
de ernst en het aantal van de antecedenten;
de relatie van de antecedenten met de vergunning en functie.
Artikel 4
Criteria
Onderdeel van Beleidsregels levensgedragtoets· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 13 april 2022