Naar hoofdinhoud

Artikel 22

Niet subsidiabele kosten

Onderdeel van Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 14 mei 2022

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking: kosten als bedoeld in artikel 64 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen; onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan; kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is; fooien en geschenken; representatiekosten en representatievergoedingen; kosten van ontspanningsactiviteiten ten behoeve van personeelsleden van het project; schulden en kosten van schulden, rente op schulden, commissies voor het wisselen van geld, wisselkoersverliezen, dubieuze vorderingen, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en buitensporige of roekeloze uitgaven; kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening, met uitzondering van de kosten voor projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van het verzoek tot vaststelling tot aan het moment van indienen van dit verzoek; bijdragen in natura ten behoeve van de cofinanciering van het project, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 13, vierde lid; belasting over de toegevoegde waarde indien deze krachtens het nationale recht inzake belasting over de toegevoegde waarde terugvorderbaar is; Kosten die reeds uit andere nationale of Europese middelen worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt; kosten van minder dan € 200, tenzij de minister met een lager bedrag instemt; kosten als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Verordening ISF; kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Verordening BMVI.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel