Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2c › Paragraaf 2c.1

Artikel 2.12

Daadwerkelijk herstel

Onderdeel van Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 12 mei 2026

1. Het Instituut kan bij besluit een recht op daadwerkelijk herstel vaststellen. Aan het besluit tot toekenning van een recht op daadwerkelijk herstel worden door het Instituut voorschriften en beperkingen verbonden. 2. Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1a.1 van de Regeling Tijdelijke wet Groningen en de aanvrager hierom vraagt, kan het Instituut besluiten dat de aanvrager het bedrag dat beschikbaar is voor daadwerkelijk herstel in geld krijgt uitgekeerd in plaats van het uitvoeren van daadwerkelijk herstel. 3. Het maximale bedrag voor daadwerkelijk herstel bedraagt € 60.000, inclusief btw, per volledig object zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste een eigen adres en, indien van toepassing, de aangrenzende onroerende zaken met een eigen kadastrale aanduiding die aanhorig zijn aan het object. 4. Daadwerkelijk herstel is uitsluitend mogelijk voor schades, met uitzondering van schades aan mestkelders, die zijn opgenomen in het rapport van een deskundige dat behoort bij het besluit tot daadwerkelijk herstel of nieuwe schades die gemeld en beoordeeld zijn overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2.17, tweede lid, of 2.21. Indien er sprake is van een eerder beoordeelde schade wordt tevens aan het bepaalde in artikel 2.14 voldaan. 5. Indien het gebouw ligt binnen het gebied als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel ii, en niet valt binnen de reikwijdte van artikel 2.8, tweede lid, onderdeel d, subonderdelen i of iii, is daadwerkelijk herstel, in afwijking van het eerste lid, uitsluitend mogelijk voor zetting- of zakkingschades. 6. Daadwerkelijk herstel kan uitsluitend betrekking hebben op constructieve verbeteringen, indien: sprake is van klein duurzaam herstel; aan een gebouw sprake is van nieuwe constructieve schade, met inbegrip van schade die eerder is behandeld en na herstel opnieuw is ontstaan en schade die substantieel is toegenomen ten opzichte van de laatste schadeopname van het gebouw, en een stabiliserende maatregel naar het oordeel van het Instituut mogelijk is voor deze schade; of aan een gebouw sprake is van nieuwe constructieve schade, met inbegrip van schade die eerder is behandeld en na herstel opnieuw is ontstaan en schade die substantieel is toegenomen ten opzichte van de laatste schadeopname van het gebouw, een stabiliserende maatregel naar het oordeel van het Instituut niet mogelijk is en in plaats daarvan naar het oordeel van het Instituut een constructieve herstelmaatregel mogelijk is voor deze schade. 7. Indien voor het herstel, bedoeld in het zesde lid, onderdelen b en c, noodzakelijk is dat de constructie van een of meer andere gebouwen die constructief verbonden zijn met het gebouw van de aanvrager ook worden verbeterd, kan het herstel alleen plaatsvinden voor zover de eigenaar van dat gebouw of de houder van het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht daarmee schriftelijk instemt. 8. Stabiliserende maatregelen en constructieve herstelmaatregelen als bedoeld in het zesde lid, onderdelen b en c, zijn uitsluitend mogelijk als de Beleidsregel duurzaam herstel 2026 niet in de toepassing van deze maatregelen voorziet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel