Algemeen uitgangspunt van de Nederlandse inkomstenbelasting en premieheffing is dat pensioenuitkeringen behoren tot het inkomen uit werk en woning (box 1), tenzij belastingplichtige aannemelijk maakt dat deze niet onder de zogenoemde omkeerregel vallen.
Pensioenen vallen niet onder de omkeerregel voor zover:
over de toekenning van de pensioenrechten (door de werkgever) een belastingheffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden, en/of
de door de werknemer betaalde premies niet aftrekbaar waren bij een zodanige heffing.
Daarnaast kunnen op basis van overgangsrecht afwijkende regels gelden voor pensioenrechten die voor een bepaalde datum, bijvoorbeeld 1 januari 1995 of 1 januari 2001, zijn opgebouwd.
De waarde van de pensioenrechten die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning (box 1), behoort tot de bezittingen uit de rendementsgrondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3).3Vanaf de toekenning van de aanspraak, tenzij hiervoor, bijvoorbeeld op basis van een Zetelovereenkomst, (tijdens de actieve periode) een vrijstelling geldt.
Personeelsleden van Internationale Organisaties genieten in Nederland doorgaans een belastingvrijstelling over de van de Internationale Organisatie ontvangen salarissen. Tegenover deze belastingvrijstelling staat in voorkomende gevallen een interne heffing door de Internationale Organisatie zelf.
Bij de meeste Internationale Organisaties vallen pensioenuitkeringen niet onder de toegekende belastingvrijstelling. Deze mogen door Nederland volgens de reguliere nationale regels in de belastingheffing worden betrokken.
Voor de bepaling van de Nederlandse belastingheffing is dan onder meer van belang:
Of sprake is (dan wel tijdens de opbouw: was) van naar Nederlandse maatstaven (on)zuivere pensioenregeling.
Of de door de werkgever toegekende pensioenrechten met een interne heffing zijn belast en/of de door de werknemer betaalde premies aftrekbaar waren, dan wel uit het netto-inkomen zijn betaald.4Artikel 3.82, onderdeel c, Wet IB 2001.
In welke mate de werkgever en de werknemer hebben bijgedragen aan de opbouw van de rechten.
Indien de belastingplichtige (de pensioengerechtigde) stelt dat (een deel van) de pensioenuitkeringen niet in box 1 mogen worden belast, rust de bewijslast hiervoor bij hem.
De belastingplichtige kan – vaak alleen – aan deze bewijslast voldoen door over de hele opbouwperiode van het pensioen, (per jaar) te laten zien hoeveel werknemerspremies zijn betaald en wat de werkgeverspremies waren. Daarnaast zal hij voor de hele opbouwperiode aannemelijk moeten maken op welke wijze deze werknemers- en werkgeverspremies in aanmerking zijn genomen bij de toepassing van een interne heffing.
Artikel 2
Wettelijk kader
Onderdeel van Besluit pensioenen Internationale Organisaties· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 24 augustus 2022