Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Gecoördineerde Pensioenregeling en pensioenregeling van EOB

Onderdeel van Besluit pensioenen Internationale Organisaties· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 24 augustus 2022

Uit de aangeleverde informatie is gebleken dat bij de Gecoördineerde Pensioenregeling en de pensioenregeling van EOB in de opbouwfase, de door de werkgever toegekende pensioenrechten (de werkgeverspremies) niet in een interne heffing worden betrokken. Het aan de werkgeversbijdrage gerelateerde deel van de pensioenuitkering valt daarom onder de omkeerregel. Daarnaast is gebleken dat de werknemerspremies niet aftrekbaar zijn voor de interne heffing, deze worden dus uit het netto-inkomen betaald. Het aan de werknemersbijdrage relaterend deel van de pensioenuitkering valt daarom niet onder de omkeerregel. Het werkgevers- en het werknemersdeel van de pensioenpremies wordt bij de Gecoördineerde Pensioenregeling en de pensioenregeling van EOB zodanig vastgesteld dat in beginsel twee derde (2/3) van de totale pensioenkosten wordt voldaan uit werkgeverspremies en één derde (1/3) uit de werknemerspremies.6De feitelijke verdeling van de pensioenkosten kan evenwel (tijdelijk) afwijken indien vanwege de financiële situatie van het pensioenvermogen (verplichte) bijstortingen door de werkgever (of de aangesloten landen) plaatsvinden. Bij structurele afwijkingen kan dit gevolgen hebben voor de gehanteerde uitgangspunten. Voor de bepaling welk deel van het inkomen in box 1, onderscheidenlijk box 3, valt, mag van deze verdeling worden uitgegaan. Gepensioneerden met een uitkering uit de Gecoördineerde Pensioenregeling of de pensioenregeling van EOB ontvangen doorgaans ook zogenoemde ‘allowances’ en een ‘tax adjustment’. Omdat bij deze ‘allowances’ en het ‘tax adjustment’ niet of veel minder sprake is van een direct verband met de ingelegde premies, dienen deze, als onderdeel van het totaal aan gehanteerde uitgangspunten, volledig in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning (box 1). Gepensioneerden die een uitkering ontvangen uit de Gecoördineerde Pensioenregeling of de pensioenregeling van EOB kunnen de voornoemde uitgangspunten als volgt hanteren bij het doen van aangifte. Ten minste twee derde (2/3) deel van de jaarlijkse pensioenuitkering (exclusief allowances en tax adjustment) wordt aangegeven als inkomen uit werk en woning (box 1). Een ontvangen allowance of tax adjustment uitkering wordt geheel aangegeven als inkomen uit werk en woning (box 1). De waarde van het resterende één derde (1/3) deel van het pensioen wordt als bezitting in box 3 aangegeven. De jaarlijks in aanmerking te nemen waarde wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 19 UBIB 2001 bepaald, uitgaande van een jaaruitkering van één derde (1/3) van het in dat jaar ontvangen pensioen. Deze waardering is afhankelijk van de leeftijd van de pensioengerechtigde, het geslacht en van de aanwezigheid van een partner met recht op nabestaandenpensioen. Bij een pensioengerechtigde zonder partner wordt de waarde bepaald met overeenkomstige toepassing van artikel 19, eerste of zevende lid, UBIB 2001. Bij een pensioengerechtigde met een partner is in beginsel sprake van een uitkering afhankelijk van – de langstlevende van – twee levens, maar is het nabestaandenpensioen – na overlijden van de pensioengerechtigde – lager dan het oudedagspensioen. Bij overlijden van de partner blijft het oudedagspensioen in stand. Artikel 19 UBIB 2001 bevat geen waarderingsvoorschrift dat precies op deze situatie is toegeschreven. Dit betekent dat strikt genomen zou moeten worden teruggevallen op het elfde lid (bedrag waarvoor een dergelijke uitkering – bij een verzekeraar – zou kunnen worden gekocht). Om praktische redenen kan in deze specifieke situatie, en als onderdeel van het totaal aan gehanteerde uitgangspunten, echter voor 50% worden aangesloten bij de waarderingsmaatstaf voor een periodieke uitkering afhankelijk van het leven van één persoon (artikel 19, eerste of zevende lid, UBIB 2001) en voor 50% bij de waarderingsmaatstaf voor een uitkering afhankelijk van de langstlevende van twee levens (artikel 19, achtste lid, onderdeel a UBIB 2001). Een gepensioneerde inwoner van Nederland geniet een pensioenuitkering op basis van de Gecoördineerde Pensioenregeling van € 21.000 per jaar, en een tax adjustment van € 500. Hij is alleenstaande en op 1 januari van het jaar 71 jaar oud. Deze gepensioneerde kan een bedrag van (ten minste) € 14.000 (pensioen) plus € 500 (tax adjustment) is € 14.500 in box 1 aangeven. Daarnaast moet hij dan een waarde van 8 x € 7.000 is € 56.0007Toerekening box 3 is 1/3*21.000 = 7.000. Toepassing tabel artikel 19, eerste lid, UBIB betekent vermenigvuldigen met factor 8 (o.b.v. 71 jaar)). als bezitting in box 3 aangeven. Als in voorbeeld 1, alleen bedraagt de uitkering nu € 27.000, de tax adjustment € 1.000 en heeft de gepensioneerde een partner die op 1 januari van het jaar 67 jaar oud is. Deze gepensioneerde kan een bedrag van (ten minste) € 18.000 (pensioen) plus € 1.000 (tax adjustment) is € 19.000 in box 1 aangeven. Daarnaast moet hij dan een waarde van 8 x € 4.5008Toerekening box 3 is 1/3*27.000 = 9.000. In verband met partner vermenigvuldigd met 50%.Toepassing tabel artikel 19, eerste lid, UBIB betekent vermenigvuldigen met factor 8 (o.b.v. 71 jaar). + 13 x € 4.5009Toerekening box 3 is 1/3*27.000 = 9.000. In verband met partner vermenigvuldigd met 50%.Toepassing tabel artikel 19, achtste lid, onderdeel a, UBIB betekent vermenigvuldigen met factor 13 (o.b.v. jongste partner 67 jaar). is € 94.500 als bezitting in box 3 aangeven. Belastingplichtigen kunnen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit de hiervoor genoemde uitgangspunten toepassen voor belastingjaren waarvan de aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan. Belastingplichtigen kunnen na toepassing van de hiervoor genoemde uitgangspunten gebruik maken van het recht op bezwaar en beroep. Daarbij wordt echter aangetekend dat vanwege het afgewogen en op elkaar afgestemde karakter van de genoemde uitgangspunten, de inspecteur het recht behoudt om bij betwisting van een bepaald onderdeel ook de uitgangspunten van een ander onderdeel opnieuw ter discussie te stellen. Als een belastingplichtige kiest voor bovenstaande benadering kan geen gebruik gemaakt worden van de in hoofdstuk 2, art. I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001 opgenomen overgangsregeling (de saldomethode).10Deze overgangsregeling kan, kortgezegd, alleen van toepassing zijn op pensioenrechten die vóór 1 januari 2001 zijn opgebouwd. Aangezien zowel de bovenstaande, op de structurele wettelijke regeling gebaseerde, benadering als die overgangsregeling tot doel hebben om te voorkomen dat uit netto-inkomen opgebouwd pensioen bij uitkering nogmaals volledig wordt belast, mogen deze niet cumuleren. Voor zover, omgekeerd, een belastingplichtige al gebruikt maakt of heeft gemaakt van genoemde overgangsregeling waardoor de niet-afgetrokken premies in mindering komen of zijn gekomen op de belaste uitkeringen, kan van de 1/3 – 2/3-benadering geen gebruik gemaakt worden en zijn de pensioenuitkeringen na afloop van de overgangsregeling volledig belast in box 1. In de reeds afgesloten VSO is, zoals gebruikelijk, de mogelijkheid van bezwaar en beroep uitgesloten. Ook belastingplichtigen die reeds een VSO hebben afgesloten kunnen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit de hiervoor genoemde uitgangspunten toepassen voor belastingjaren waarvan de aanslagen nog niet onherroepelijk vaststaan. De inspecteur zal belastingplichtige in dat geval niet houden aan de afgesloten VSO. Dit is anders indien in de VSO de overgangsregeling van hoofdstuk 2, art. I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001 (de saldomethode) als uitgangspunt genomen is. In dat geval kan niet meer voor de hiervoor beschreven uitgangspunten gekozen worden. Omdat bij invaliditeitspensioenen veel minder een verband bestaat tussen de betaalde premies en de ontvangen uitkeringen, waarbij mede van belang kan zijn of het invaliditeitspensioen op risicobasis is gefinancierd, gelden de hiervoor beschreven uitgangspunten niet voor invaliditeitspensioenen. Bij dergelijke pensioenen is het derhalve onverkort aan de gerechtigde om de eventuele feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op basis waarvan de uitkeringen (deels) niet tot het inkomen uit werk en woning behoren.11In de jurisprudentie zijn invaliditeitsuitkeringen tot dusver steeds volledig in box 1 belast. Zie ECLI:NL:GHDHA:2013:4796 en ECLI:NL:GHSHE:2017:571.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel