Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.8

De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2023 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2023

Onderdeel van Beleidsregels risicoverevening 2023· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 28 oktober 2022

1. Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2023 voor de tweede voorlopige vaststelling als de som van het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2023, het tweede voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2023 en het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023. 2. Voor de bandbreedteregeling voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023: bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven; berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor de gezamenlijke zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2023, bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar of ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is; en past het Zorginstituut artikel 3.16 van het Bzv toe op het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat voor het cluster kosten van geneeskundige geestelijke. 3. Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar of ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2023. 4. Het Zorginstituut vermindert het resultaat na toepassing van het derde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2025 per 1 mei 2026 als gederfde inkomsten 2023 voor verzekerden van achttien jaar of ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen. 5. Het Zorginstituut berekent voor de tweede voorlopige vaststelling de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2023 te vermenigvuldigen met het bedrag in artikel 20 van de Rrv. 6. Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2023 voor de tweede voorlopige vaststelling door de som van het herberekende normatieve bedrag 2023 en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar te verminderen met de tweede voorlopige normatieve opbrengst van het eigen risico, bedoeld in Artikel 5.7, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het derde en vierde lid. 7. Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2023 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2026 ter hoogte van de in het zesde lid berekende bijdrage.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel