Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Eenmalige verhoogde vrijstelling schenkbelasting

Onderdeel van Schenk- en erfbelasting, vrijstellingen, omzetting, fusie of taakafsplitsing· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2023

Dit onderdeel bevat het beleid over de eenmalige verhoogde vrijstellingen schenkbelasting van artikel 33, onderdelen 5°en 7°, Successiewet. De voorwaarden voor deze vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 33, onderdelen 5° en 7°, en 33a Successiewet1Hiermee wordt artikel 33a Successiewet bedoeld zoals dit geldt vanaf 1 januari 2023. Vanaf 1 januari 2024 komt dit artikel volledig te vervallen. Zie ook hierna onder onderdeel 8.b. en in de artikelen 5 en 6 URSE. Per 1 januari 2023 is de eenmalige verhoogde vrijstelling van schenkbelasting voor een schenking ten behoeve van de eigen woning (hierna: eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning) in de relatie ouders/kinderen verlaagd tot het bedrag van de eenmalige verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan hun kinderen tussen 18 en 40 jaar die niet aan bestedingsvoorwaarden is gebonden. In die relatie is de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning daarmee feitelijk afgeschaft.2Artikel 33, onderdeel 5°, onderdeel c, Successiewet. Zie ook: memorie van toelichting Belastingplan 2023, Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 3, p. 40. De eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning afkomstig van een ander dan een ouder3Artikel 33, onderdeel 7°, Successiewet. is ook verlaagd tot dat bedrag. Gelet op mogelijke onduidelijkheid benadruk ik dat een schenking in de relatie ouders/kinderen in 2023, waarbij in de aangifte een beroep wordt gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning, hetzelfde wordt behandeld als de eenmalige verhoogde vrijstelling zonder bestedingseis. Per 1 januari 2024 volgt afschaffing van de eenmalige verhoogde vrijstellingen eigen woning. Per 1 januari 2023 is artikel 33a, tweede lid, Successiewet, zoals dat luidde op 31 december 2022, vervallen. Dit artikel bepaalde dat een verkrijger die in een kalenderjaar de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning slechts gedeeltelijk heeft benut, in de twee daaropvolgende kalenderjaren aanvullende schenkingen voor de eigen woning van dezelfde schenker alsnog onder de eenmalige verhoogde vrijstelling kan brengen, als ook aan de overige voorwaarden is voldaan. Op grond van het overgangsrecht geldt dat schenkingen ten behoeve van de eigen woning die voor het eerst in 2021 of 2022 zijn gedaan en waarbij de vrijstelling slechts gedeeltelijk is benut, nog in 2023 kunnen worden aangevuld. G schenkt in 2022 een bedrag van € 40.000 aan dochter H voor de eigen woning. In 2023 schenkt G in aanvulling hierop een bedrag van € 60.000 aan dochter H voor de eigen woning. Deze aanvulling in 2023 is nog mogelijk omdat schenkingen ten behoeve van de eigen woning die in het jaar 2022 zijn gedaan, in 2023 aangevuld kunnen worden, als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Het maakt daarbij niet uit of de schenking in 2022 hoger of lager is dan de jaarlijkse vrijstelling (€ 5.677 voor schenkingen in de relatie ouders/kinderen en € 2.274 in de relatie derde/begunstigde). In 2023 heeft dochter H daarnaast recht op de jaarlijkse vrijstelling in de relatie ouders/kinderen. Hetzelfde geldt als G de eerste schenking aan H in 2021 zou hebben gedaan. K schenkt in 2023 een bedrag van € 15.000 aan neef L ten behoeve van de eigen woning. In 2024 schenkt K in aanvulling hierop een bedrag van € 10.000 aan neef L ten behoeve van de eigen woning. Voor de aanvulling geldt dat L niet nogmaals de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning kan krijgen. Er is geen spreidingsmogelijkheid voor schenkingen die voor het eerst in 2023 hebben plaatsgevonden. De bestedingseis van artikel 5, eerste lid, sub b, onder 2° URSE blijft van kracht voor zover het schenkingen betreft die met toepassing van de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning zijn verkregen, ongeacht het jaar waarin de schenking ontvangen is. Dit betekent dat het bedrag van de schenking uiterlijk in het tweede kalenderjaar volgend op het eerste kalenderjaar waarvoor een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning is gedaan, moet zijn besteed ten behoeve van een eigen woning. A schenkt in 2022 een bedrag van € 100.000 aan zoon B ten behoeve van de eigen woning. B koopt vervolgens in 2023 een woning en doet in dit jaar een aanbetaling van € 40.000. De levering van de eigen woning en de betaling van de koopsom vinden in 2024 plaats, waardoor B in 2024 de resterende € 60.000 besteedt. De eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning is van toepassing, als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. C schenkt in 2023 een bedrag van € 25.000 aan neef D. D doet een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning. D koopt in 2026 een woning en besteedt deze € 25.000 ter voldoening van de koopsom. Er is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning, omdat het bedrag pas is besteed in het derde kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarvoor een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning is gedaan. De besteding had uiterlijk op 31 december 2025 moeten plaatsvinden. E schenkt in 2023 een bedrag van € 25.000 aan neef F ten behoeve van de eigen woning. F koopt vervolgens in 2024 een woning in aanbouw en doet in dit jaar een aanbetaling van € 15.000. De levering van de eigen woning en de betaling van de koopsom vinden in 2025 plaats, waardoor B in 2025 nog eens € 10.000 besteedt. De eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning is van toepassing, als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Om voor een eenmalige verhoogde vrijstelling in aanmerking te kunnen komen, moet de begiftigde op het moment van de schenking voldoen aan het daarvoor gestelde leeftijdsvereiste, hetgeen betekent dat hij ten tijde van de schenking tussen de 18 en 40 jaar moet zijn. Als in dit onderdeel artikel 33, onderdeel 7°, Successiewet wordt vermeld, wordt hiermee de wettekst bedoeld zoals die geldt van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2023. Vanaf 1 januari 2024 bevat dit onderdeel 7° niet meer een eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning en daardoor ook niet langer een leeftijdsvereiste. De verwijzingen in dit onderdeel naar artikel 33, onderdeel 7°, Successiewet zijn daarmee slechts van belang voor schenkingen die zijn of worden gedaan in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2023. Wanneer van de spreidingsmogelijkheid van artikel 33a, tweede lid, Successiewet4Zoals dit lid luidde op 31 december 2022. Zoals in onderdeel 8b. staat beschreven kan op grond van het overgangsrecht ook in 2023 van de spreidingsmogelijkheid gebruik worden gemaakt. gebruik wordt gemaakt, is het moment waarop de (aanvullende) schenking wordt gedaan, bepalend voor het leeftijdsvereiste. De vraag kan opkomen wat exact dient te worden verstaan onder het leeftijdsvereiste (tussen 18 en 40 jaar). Om onduidelijkheid hierover te voorkomen, keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat de begiftigde voldoet aan het leeftijdsvereiste van de eenmalige verhoogde vrijstellingen van artikel 33, onderdelen 5° en 7°, Successiewet, als hij op de dag van de schenking 40 jaar oud wordt. Voor de berekening van de verschuldigde schenkbelasting worden partners als één en dezelfde persoon aangemerkt. Als een beroep wordt gedaan op een vrijstelling worden de schenkingen aan beide partners als een schenking aan één van hen aangemerkt. Voor de toepassing van het tarief en de vrijstelling geldt de naaste verwantschap tussen de schenker of zijn partner en de begiftigde of zijn partner (artikel 26, eerste lid, Successiewet). De eenmalige verhoogde vrijstellingen zijn echter alleen van toepassing, als de begiftigde zelf voldoet aan de voor deze vrijstellingen geldende voorwaarden, waaronder het leeftijdsvereiste (tussen de 18 en 40 jaar). Voor dit leeftijdsvereiste geldt van oudsher goedkeurend beleid. Op grond hiervan kan de eenmalige verhoogde vrijstelling toch worden toegepast, als niet de begiftigde maar wel zijn partner voldoet aan het leeftijdsvereiste. Tijdens de behandeling van het Belastingplan 20175Kamerstukken II 2016–2017, 34 553, nr. 7, blz. 50. is toegezegd dat dit goedkeurend beleid niet is beperkt tot schenkingen aan kinderen, maar ook geldt voor schenkingen ten behoeve van een eigen woning aan anderen. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat de begiftigde voldoet aan het leeftijdsvereiste van de eenmalige verhoogde vrijstellingen van artikel 33, onderdelen 5° en 7°, Successiewet, als hij op het tijdstip van de schenking niet maar zijn partner wel tussen 18 en 40 jaar oud is. Deze goedkeuring geldt ook als de schenking plaatsvindt op de dag waarop de partner 40 jaar oud wordt. De goedkeuring ziet uitsluitend op het leeftijdsvereiste van de eenmalige verhoogde vrijstellingen. Naast het leeftijdsvereiste, moet voor de toepassing van de eenmalige verhoogde vrijstellingen aan de overige wettelijke vereisten worden voldaan. Ter verduidelijking volgen hierna enkele voorbeelden. A schenkt aan zijn zoon B (41 jaar oud) € 50.000 ten behoeve van zijn studie. B heeft een partner die op dat moment 39 jaar oud is. In de aangifte schenkbelasting doet B een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling van artikel 33, onderdeel 5°, sub b, Successiewet. B voldoet niet aan het leeftijdsvereiste, maar aan de overige voorwaarden van de eenmalige verhoogde vrijstelling wordt wel voldaan. De vrijstelling kan in dit geval op grond van de goedkeuring worden toegepast, omdat de partner van B op het tijdstip van de schenking tussen 18 en 40 jaar oud is. X schenkt in 2023 aan neef Y (41 jaar oud) € 25.000 ten behoeve van een eigen woning. Y heeft een partner die op dat moment 39 jaar oud is. In de aangifte schenkbelasting doet Y een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling van artikel 33, onderdeel 7°, Successiewet. Y voldoet niet aan het leeftijdsvereiste, maar aan de overige voorwaarden van de eenmalige verhoogde vrijstelling ten behoeve van een eigen woning wordt wel voldaan. De vrijstelling kan in dit geval op grond van de goedkeuring worden toegepast, omdat de partner van Y op het tijdstip van de schenking tussen 18 en 40 jaar oud is. Partners worden voor het tarief en de vrijstellingen als één en dezelfde persoon aangemerkt. Dit uitgangspunt, gecombineerd met het eenmalige karakter van de verhoogde vrijstellingen, maakt dat als de schenker in de bovenstaande voorbeelden in eerdere kalenderjaren al aan de partner van de begiftigde heeft geschonken en daarvoor een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling is gedaan, de goedkeuring niet van toepassing is. Er kan immers in dat geval niet nogmaals een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning worden gedaan. Ook kan de partner van de begiftigde niet in latere kalenderjaren nog een beroep doen op een eenmalige verhoogde vrijstelling voor een schenking aan hem door dezelfde schenker of de partner van die schenker. Op grond van artikel 33, onderdelen 5˚, onder c, en 7˚, Successiewet geldt een eenmalige verhoogde vrijstelling voor de schenking ten behoeve van een eigen woning. In artikel 33a, eerste lid, Successiewet is gedefinieerd wat onder een schenking ten behoeve van een eigen woning wordt verstaan. Hieronder wordt ingegaan op enkele specifieke onderwerpen. Vanwege de afschaffing van de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning per 1 januari 2024, zijn de onderdelen 8.2.1 tot en met 8.2.5 slechts van belang voor schenkingen die zijn of worden gedaan in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2023. De eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning is onder meer van toepassing op het bedrag van de schenking dat wordt gebruikt voor aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 of voor de aflossing van een schuld die de begiftigde had op het moment direct voorafgaand aan een vervreemding van een eigen woning voor zover deze schuld heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning als bedoeld in artikel 3.119aa van die wet (artikel 33a, onderdeel e, Successiewet). Het is onduidelijk of de kwijtschelding van een dergelijke schuld is aan te merken als een schenking van een bedrag waarmee die schuld wordt afgelost. Bijvoorbeeld in de situatie waarin de ouders aan hun kind een lening hebben verstrekt voor de aanschaf van een eigen woning en de ouders die lening later geheel of gedeeltelijk kwijtschelden. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat kwijtschelding van een dergelijke schuld wordt gelijkgesteld met een schenking van een bedrag waarmee die schuld wordt afgelost. Voor zover nodig keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 voor de toepassing van de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning wordt gelijkgesteld met een aflossing van die eigenwoningschuld, als bedoeld in artikel 33a, onderdeel e, Successiewet. Deze goedkeuring geldt eveneens voor een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een schuld die de verkrijger had op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van zijn eigen woning voor zover deze schuld voor hem heeft geleid tot een negatief vervreemdingssaldo eigen woning als bedoeld in artikel 3.119aa Wet IB 2001. Ook keur ik voor deze specifieke situaties goed dat deze kwijtschelding wordt gelijkgesteld met het daadwerkelijk betalen door de schenker zoals vereist in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, URSE en dat daarbij de schenking en de besteding daarvan geacht worden plaats te vinden op het tijdstip van de kwijtschelding. In plaats van schenking van een bedrag waarmee de begiftigde in staat wordt gesteld om een eigen woning aan te schaffen, kan de schenker kiezen voor overdracht van een woning waarbij hij de koopsom geheel of gedeeltelijk kwijtscheldt. Ik vind deze twee situaties voor de toepassing van de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning met elkaar vergelijkbaar, daarom keur ik het volgende goed. In geval van verkrijging van de eigendom van een eigen woning waarbij de verkoper de koopsom uiterlijk op de dag van de juridische levering van deze woning geheel of gedeeltelijk kwijtscheldt, keur ik onder voorwaarden goed dat deze kwijtschelding wordt aangemerkt als schenking van een bedrag ter zake van de verwerving van een eigen woning, als bedoeld in artikel 33a, onderdeel b, Successiewet. De goedkeuring geldt ook bij de overdracht van de economische eigendom van een woning of een recht van lidmaatschap van een coöperatie als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. Voor deze situaties geldt ook dat de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom wordt aangemerkt als schenking van een bedrag ter zake van de verwerving van deze economische eigendom respectievelijk dit lidmaatschapsrecht. Ook keur ik voor deze specifieke situaties goed dat deze kwijtschelding wordt gelijkgesteld met het daadwerkelijk betalen door de schenker zoals vereist in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, URSE en dat daarbij de schenking en de besteding daarvan geacht worden plaats te vinden op het tijdstip van de kwijtschelding. Voor de goedkeuring gelden de volgende vier voorwaarden. De goedkeuring geldt alleen voor de kwijtschelding van (een deel van) de koopsom die verschuldigd is door de begiftigde voor de verkrijging van de eigendom, waaronder begrepen de economische eigendom of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. De goedkeuring geldt bij eigen woningen als de kwijtschelding door de verkoper uiterlijk plaatsvindt op de dag waarop de notariële akte van levering bij het kadaster is ingeschreven (juridische levering). De kwijtschelding dient te blijken uit de notariële akte van levering van de woning of de overeenkomst van schuldigerkenning die tussen de verkoper en de begiftigde uiterlijk op de dag van juridische levering van de woning is gesloten. Bij aanschaf van de eigendom van een eigen woning die geen registergoed6Een (gedeelte van een) duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen als bedoeld in artikel 1, onder l, Wet op de huurtoeslag (artikel 3.111, eerste lid, aanhef Wet IB 2001). is dan wel de aanschaf van de economische eigendom of een recht van lidmaatschap van een coöperatie als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001, moet de kwijtschelding blijken uit de koopovereenkomst of de overeenkomst van schuldigerkenning, die tussen de verkoper en de begiftigde op dezelfde dag als de koopovereenkomst is gesloten. Opa en oma verkopen in 2023 aan hun kleindochter (36 jaar oud) een woning. De koopsom is gelijk aan de waarde in het economische verkeer van deze woning en bedraagt € 375.000. De kleindochter gaat deze woning gebruiken als haar hoofdverblijf. Bij de levering van de woning betaalt de kleindochter € 350.000 aan haar grootouders. Het restant van de koopsom van € 25.000 blijft de kleindochter schuldig en schelden de grootouders vervolgens kwijt. Deze kwijtschelding wordt vastgelegd in de notariële akte van levering van de woning. Voor het kwijtgescholden deel van de koopsom doet de kleindochter een beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling schenkbelasting eigen woning. Als aan de overige voorwaarden van deze vrijstelling wordt voldaan, wordt de kwijtschelding op grond van de goedkeuring aangemerkt als schenking van een bedrag dat is besteed aan de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 Wet IB 2001. Als een woning wordt verkocht tegen een prijs die lager is dan de waarde in het economische verkeer, kan sprake zijn van een schenking. Gezien de directe samenhang met de aanschaf van een eigen woning door de begiftigde, brengt een redelijke wetstoepassing met zich mee dat ook voor een dergelijke schenking een beroep op toepassing van de eenmalige verhoogde vrijstelling van artikel 33, onderdelen 5° en 7°, Successiewet kan worden gedaan. Daarom keur ik voor zover nodig het volgende goed. Ik keur goed dat in geval van aanschaf van een eigen woning tegen een prijs die lager is dan de waarde in het economische verkeer van deze woning, een beroep kan worden gedaan op de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning van artikel 33, onderdelen 5° en 7°, Successiewet. Ook keur ik voor deze specifieke situatie goed dat op het moment van aanschaf geacht wordt aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, URSE te zijn voldaan. Voor de toepassing van de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning wordt onder eigen woning verstaan: een woning die voor de verkrijger een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, Wet IB 2001 (artikel 33a onderdeel a, Successiewet). De vrijstelling is daarmee in beginsel alleen van toepassing op een eigen woning die daadwerkelijk in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting is betrokken. Ik ben bereid om goed te keuren dat de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning ook geldt voor een buitenlandse eigen woning die niet in de Nederlandse inkomstenbelasting wordt betrokken. Belangrijk daarbij is de controlemogelijkheid. Immers de vrijstelling geldt alleen als de schenking daadwerkelijk (tijdig) is besteed aan een eigen woning. Ik keur onder voorwaarden goed dat de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning ook kan worden toegepast voor een schenking ten behoeve van een eigen woning van de begiftigde, indien die is gelegen in een land waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft afgesloten. Voorwaarden Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden. In het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is de uitwisseling van fiscale informatie geregeld. De woning voldoet voor de begiftigde aan de uitgangspunten van artikel 3.111, eerste of derde lid, Wet IB 2001. Een schenking ten behoeve van een eigen woning kan worden gedaan onder de schriftelijk vastgelegde voorwaarde dat de schenking wordt ontbonden voor zover niet wordt voldaan aan de voorwaarden om voor de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning in aanmerking te komen (artikel 5, eerste lid, onderdeel a, URSE). In dat geval is sprake van een schenking onder ontbindende voorwaarde. De schenking wordt door het in vervulling gaan van deze voorwaarde ontbonden als het geschonken bedrag niet tijdig door de begiftigde is besteed ten behoeve van een eigen woning. In dat geval, komt de vraag op of de begiftigde voor een latere schenking door dezelfde schenker een hernieuwd beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling eigen woning (of een andere eenmalige verhoogde vrijstelling voor de schenkbelasting) kan doen. Het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde heeft immers geen terugwerkende kracht, met als gevolg dat het eerder gedane beroep op de eenmalige verhoogde vrijstelling niet kan worden teruggenomen. Dit gevolg vind ik niet in alle gevallen wenselijk. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat als een schenking ten behoeve van een eigen woning ongedaan is gemaakt door het in vervulling gaan van een ontbindende voorwaarde, voor een latere schenking door dezelfde schenker opnieuw een beroep kan worden gedaan op toepassing van één van de eenmalige verhoogde vrijstellingen als bedoeld in artikel 33, onderdeel 5° of onderdeel 7°, Successiewet. Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden. Aan de schenking was (uitsluitend) een schriftelijk vastgelegde ontbindende voorwaarde verbonden als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, URSE. De schenking is als gevolg van het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde geheel ongedaan gemaakt en de begiftigde heeft als gevolg daarvan het geschonken bedrag geheel aan de schenker teruggegeven. Uiterlijk op 31 mei van het derde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin het bedrag is geschonken, bericht de begiftigde de inspecteur schriftelijk dat de schenking is ongedaan gemaakt vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van de vrijstelling (artikel 5, tweede lid, URSE). M heeft in 2018 aan zijn zoon N (33 jaar oud) een bedrag van € 90.000 geschonken ten behoeve van een eigen woning. De zoon bezat op dat moment geen eigen woning. Voorafgaand aan het overmaken van het bedrag zijn vader en zoon schriftelijk overeengekomen dat de schenking vervalt als de zoon het geschonken bedrag niet of niet tijdig heeft besteed aan de aanschaf van een eigen woning. N schaft niet binnen de gestelde termijn van drie kalenderjaren (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, URSE) een eigen woning aan, hierdoor voldoet hij niet aan het bestedingsdoel van artikel 33a, eerste lid, onder b, onderdeel 2°, Successiewet zoals dit destijds luidde. Vanwege het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde wordt de schenking ongedaan gemaakt. De zoon geeft het geschonken bedrag van € 90.000 terug aan zijn vader. Hij heeft de inspecteur in maart 2021 meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de vrijstelling. Als M in 2023 vervolgens € 25.000 schenkt aan zijn zoon, kan N opnieuw een beroep doen op een eenmalige verhoogde vrijstelling, waarbij het niet noodzakelijk is dat de schenking aan de eigen woning wordt besteed. Hij doet hierbij een beroep op toepassing van de bovenstaande goedkeuring. Hij komt in aanmerking voor toepassing van deze vrijstelling als hij voldoet aan alle dan geldende vereisten voor de eenmalige verhoogde vrijstelling.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel