Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Inkomstenbelasting, aanwijzing massaal bezwaar plus over kalenderjaren 2017 tot en met 2020· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 28 januari 2023

Eerder heb ik bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van een voordeel uit box 3 aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).1De aanwijzing is voor het jaar 2017 opgenomen in het Besluit van 7 juli 2018, nr. 2018-12775 (Stcrt. 2018, 39781). Voor het jaar 2018 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 18 april 2019, nr. 2019-8322 (Stcrt. 2019, 23335). Voor het jaar 2019 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 23 april 2020, nr. 2020-75650 (Stcrt. 2020, 24107) en voor het jaar 2020 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 28 mei 2021, nr. 2021-97946 (Stcrt. 2021, 28130). In die zogenoemde massaalbezwaarprocedure stond de rechtsvraag centraal of de vermogensrendementsheffing in het betreffende belastingjaar, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, zonder dat de schending van de ‘fair balance’ op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld, of in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op deze rechtsvraag.2Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. Op 4 februari 2022 heb ik door middel van een collectieve uitspraak op bezwaar de als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften gegrond verklaard.3Collectieve uitspraak van 4 februari 2022, nr. 2022-35664 (Stcrt. 2022, 4198). De wijze waarop de inspecteur de aanslagen inkomstenbelasting die onder de massaalbezwaarprocedure vielen vermindert, is uitgewerkt in een beleidsbesluit en daarna gecodificeerd in wetgeving.4Besluit van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063) en de Wet rechtsherstel box 3. Op 20 mei 2022 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een zaak waarin de aan de belanghebbende opgelegde aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 en 2018 op 24 december 2021 reeds onherroepelijk vaststonden.5Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720. De Hoge Raad oordeelde dat de gestelde onjuistheid van deze aanslagen volgt uit nieuwe jurisprudentie als bedoeld in artikel 45aa, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001). De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat de Minister van Financiën na het arrest van 24 december 2021 niet bekendgemaakt heeft dat ten aanzien van onherroepelijk geworden aanslagen van de in dat artikel opgenomen voorwaarde kan worden afgeweken. Gelet op het vorenstaande wordt het oordeel van het Hof dat aan de belanghebbende terecht geen ambtshalve vermindering is verleend, in cassatie tevergeefs bestreden. De Belastingdienst heeft een groot aantal verzoeken om ambtshalve vermindering van op 24 december 2021 reeds onherroepelijk vaststaande aanslagen inkomstenbelasting over de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 ontvangen. Daarnaast is een groot aantal bezwaarschriften ingediend tegen de afwijzing van deze verzoeken om ambtshalve vermindering. Met het oog op een efficiënte en eenduidige afdoening wijs ik deze verzoeken om ambtshalve vermindering en bezwaarschriften tegen de afwijzing daarvan die betrekking hebben op de in onderdeel 2 vermelde rechtsvragen aan als massaal bezwaar plus in de zin van artikel 9.7 Wet IB 2001.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel