Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 30

Voorbehouden bevoegdheden bewindspersoon

Onderdeel van Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat 2023· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 25 mei 2023

1. Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken gericht tot: de Koning; de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers of een daaruit gevormde onderraad of commissie; een minister of staatssecretaris; een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris; de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie; de vicepresident van de Raad van State; en de president van Algemene Rekenkamer. 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van handelingen ten opzichte van één van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die uitsluitend van informatieve aard zijn. 3. Aan de bewindspersoon is tevens voorbehouden de bevoegdheid tot: het vaststellen, wijzigen of intrekken van algemeen verbindende voorschriften; het geven en ondertekenen van algemene en bijzondere aanwijzingen aan de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport en de onder de inspecteur-generaal ressorterende functionarissen; en het nemen van een beslissing tot het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, voor zover de bewindspersoon belanghebbende is op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel