Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Samenloop van opgebouwde pensioenaanspraken

Onderdeel van Verzamelbesluit pensioenen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 11 juli 2023

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak die naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds verplichtstellen voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn (artikel 2 Wet BPF 2000). Hetzelfde geldt voor bepaalde groepen beroepsgenoten. De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen kan voor bepaalde groepen van beroepsgenoten deelname aan een beroepspensioenregeling verplicht stellen (artikel 5 van de Wvb). Hierna versta ik onder werknemer ook een beroepsgenoot. Waar ik in dit onderdeel spreek over verplichte deelname bedoel ik verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds of verplichte deelname aan een beroepspensioenregeling. Er kan geen sprake zijn van een gelijktijdige verplichte deelname aan meer dan één verplicht gesteld pensioenfonds of van deelname in meer dan één verplicht gestelde regeling. Het komt voor dat een werkgever premiebetalingen doet aan een bepaald pensioenfonds op basis van een onjuiste aanname dat deelname verplicht is aan dat pensioenfonds. De premiebetalingen die een werkgever aan dat pensioenfonds heeft gedaan, zijn onverschuldigd betaald als de werkgever onder de verplichtstelling valt bij een ander pensioenfonds. De deelname en pensioenopbouw zijn dan van rechtswege nooit tot stand gekomen. Als de werkgever de pensioenregeling ten onrechte geheel of gedeeltelijk uit laat voeren door een professionele verzekeraar of PPI, dan is er sprake van een ongewenste samenloop van pensioenopbouw. Een professionele verzekeraar of PPI valt niet onder de werkingssfeer van de wetgeving inzake verplichte deelname. De pensioenopbouw bij de professionele verzekeraar of PPI is rechtens tot stand gekomen. Van een onverschuldigde betaling aan de professionele verzekeraar of PPI is geen sprake. De pensioenaanspraken ingevolge de verplichte deelname in het pensioenfonds ontstaan van rechtswege. Dit geldt ook als daarvoor geen premies zijn betaald. Hierdoor kan zich onbedoeld de situatie voordoen dat sprake is van een samenloop van opgebouwde pensioenaanspraken bij een professionele verzekeraar of PPI en pensioenaanspraken bij een verplichtgesteld pensioenfonds. Deze samenloop kan leiden tot fiscale bovenmatigheid en daarmee fiscaal onzuivere pensioenaanspraken. Naar mijn oordeel is het in deze situaties redelijk dat pensioenuitvoerders en deelnemers de pensioenregeling zodanig kunnen aanpassen dat de regeling past binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB. Hierbij maak ik een onderscheid tussen de situatie van overdracht van het bij de professionele verzekeraar of PPI opgebouwde pensioenkapitaal naar het verplichtgestelde pensioenfonds (onderdeel 5.3.1.) en de situatie waarin het verplichtgestelde pensioenfonds een vrijstelling verleent voor de verplichtstelling (onderdeel 5.3.2.). Een eerste mogelijkheid om de samenloop te corrigeren is als alle betrokken partijen – verplichtgesteld pensioenfonds, professionele verzekeraar, PPI, werkgever en werknemers – overeenstemming bereiken om het bij de professionele verzekeraar of PPI opgebouwde pensioenkapitaal door middel van een waardeoverdracht over te dragen naar het verplichtgestelde pensioenfonds. Voor zover nodig keur ik in die situatie onder voorwaarden goed dat artikel 19b, eerste lid, Wet LB buiten toepassing blijft. De professionele verzekeraar of PPI draagt de opgebouwde pensioenaanspraken over naar het verplichtgestelde pensioenfonds. Het verplichtgestelde pensioenfonds behandelt het overgedragen pensioenkapitaal als een inkomende waardeoverdracht. Werkgever en werknemer verklaren zich vooraf akkoord met de overdracht van het bij de professionele verzekeraar of PPI opgebouwde pensioenkapitaal naar het verplichtgestelde pensioenfonds. Na overdracht worden alle aanspraken ingevolge het pensioenreglement van het verplichtgestelde pensioenfonds uitgevoerd door dat pensioenfonds. Na overdracht van het pensioenkapitaal blijven de aanspraken bij het verplichtgestelde pensioenfonds samen met eventueel door de werkgever verrichte extra premiestortingen bij dat pensioenfonds en eventueel resterende aanspraken bij de professionele verzekeraar of PPI binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB. Als de waarde van de over te dragen pensioenaanspraken hoger is dan de verschuldigde premies aan het verplichtgestelde pensioenfonds met betrekking tot de diensttijd die is verstreken tot het moment van overdracht, kan deze overdracht niet leiden tot het ontstaan van extra pensioengevende diensttijd. De andere mogelijkheid om de samenloop te corrigeren is als alle betrokken partijen – verplichtgesteld pensioenfonds, verzekeraar, werkgever en werknemers – overeenkomen dat het verplichtgestelde pensioenfonds met terugwerkende kracht een vrijstelling van de verplichte deelname verleent. Voor zover nodig keur ik in die situatie onder voorwaarden goed dat artikel 19b, eerste lid, Wet LB buiten toepassing blijft. De werkgever verricht voor zover nodig extra premiestortingen om de bij de verzekeraar verzekerde pensioenregeling actuarieel gelijkwaardig te maken. Het verplichtgestelde pensioenfonds verleent vrijstelling van de verplichtstelling bedoeld in het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. De bij de verzekeraar ondergebrachte pensioenregeling blijft binnen de kaders van hoofdstuk IIB Wet LB.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel