Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Reikwijdte

Onderdeel van Aanwijzing procesafspraken in strafzaken· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 15 augustus 2023

Iedere zaak waarin strafvervolging wegens misdrijf wordt ingesteld en die zich naar het oordeel van de officier van justitie niet leent voor buitengerechtelijke afdoening door middel van een OM-strafbeschikking, is in beginsel geschikt voor het maken van procesafspraken. Hierbij geldt als uitgangspunt dat het maken van procesafspraken gericht moet zijn op een effectieve afdoening of gestroomlijnde procesgang. Consensus tussen het OM en de verdediging kan zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een rol spelen. In eerste aanleg is de officier van justitie de initiator van een procedure bij de strafrechter en bepaalt de officier van justitie – ingeval van procesafspraken: tezamen met de verdediging – de omvang van het geding. Bij het instellen van appel is de strafzaak al in handen van de rechter en wordt de appelrechter geadieerd omdat de appellerende partij zich niet met het vonnis van de rechtbank kan verenigen. In die procesfase ligt de regie bij de appelrechter. Dit laat onverlet dat de advocaat-generaal en de verdediging een gezamenlijke zienswijze naar voren kunnen brengen in de vorm van een procesafspraak om het appel te beperken tot hetgeen partijen verdeeld houdt. Deze aanwijzing heeft uitsluitend betrekking op inhoudelijke afspraken over het verloop van de strafprocedure en de wijze waarop de strafzaak wordt afgedaan. Het gaat daarbij om afspraken op basis van wederkerigheid, welke de officier van justitie3Waar in het vervolg van deze aanwijzing over officier van justitie wordt gesproken, wordt daaronder tevens de advocaat-generaal in appelzaken begrepen. binnen de kaders van het opportuniteitsbeginsel en met inachtneming van de eisen van een eerlijk proces met de verdediging kan maken, bijvoorbeeld over de proceshouding ter terechtzitting of over de omvang van de tenlastelegging. Er is geen wettelijk beletsel om procesafspraken te maken: dit staat de officier van justitie en de verdediging vrij.4HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, r.o. 5.2.2. Tegelijkertijd is de strafrechter – behoudens de door de officier van justitie bepaalde omvang van de tenlastelegging – naar huidig recht op geen enkele wijze gebonden aan procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging. De strafrechter neemt kennis van die afspraken, maar is daarbij geen partij. Dit betekent dat procesafspraken de rechter niet binden voor wat betreft de inhoud en het dictum van het vonnis. Indien de rechter van oordeel is dat de gemaakte afspraken leiden tot een uitkomst die niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, kan de rechter een daarvan afwijkende beslissing nemen en, zo nodig, het onderzoek ter terechtzitting heropenen.5HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, r.o. 5.7.4. Mogelijke procesafspraken (niet limitatief) zijn: de afspraak dat het indienen van bepaalde onderzoekswensen achterwege blijft; de afspraak dat de verdachte niet betwist het tenlastegelegde te hebben begaan dan wel geen verweer zal voeren tegen de bewezenverklaring6Een procesafspraak kan niet inhouden dat de verdachte een bekennende verklaring in zijn zaak aflegt. Dit gelet op de betekenis van de verklaringsvrijheid voor een eerlijk proces (art. 6 EVRM) en de keuze van de wetgever om af te zien van een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten. Vgl. Concl. P-G F.W. Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2022:566, r.o. 9.27.; de afspraak dat de verdachte aanwezig zal zijn tijdens de zitting waarbij de procesafspraken worden behandeld; afspraken over de strafeis die de officier van justitie ter zitting zal neerleggen; afspraken over het afzien van rechtsmiddelen indien de beslissing van de strafrechter overeenkomt met het voorgelegde afdoeningsvoorstel7Overigens kan daarmee niet rechtsgeldig afstand van het rechtsmiddel worden gedaan, maar de afspraak is wel relevant bij de beantwoording van de vraag of een appellant voldoende belang heeft bij de behandeling van de zaak in een hogere instantie. Zie ook HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, r.o. 5.9.; afspraken over aspecten van de strafzaak die (in belangrijke mate) civielrechtelijk van aard zijn en gericht zijn op herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin. Hierbij kan worden gedacht aan afspraken over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, afstand van inbeslaggenomen voorwerpen, schadevergoeding en andere vormen van genoegdoening aan slachtoffers. Een procesafspraak over de strafeis kan aan de orde zijn indien de officier van justitie en de verdediging in ieder geval overeenstemming bereiken over de bewijspositie (en de bijbehorende kwalificatie) en de verdediging in dat licht bereid is af te zien van bewijsrechtelijke verweren en onderzoekswensen. In wezen leggen de officier van justitie en de verdachte daarmee een gezamenlijk afdoeningsvoorstel voor aan de strafrechter. De strafrechter kan daarvoor een andere sanctie in de plaats stellen, indien de strafrechter die gegeven de omstandigheden van het geval (meer) passend acht. Sinds de inwerkingtreding van de Wet USB is de Minister verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het OM maakt om die reden geen procesafspraken over de (wijze van) tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen, tenzij dergelijke afspraken in een concreet geval toch noodzakelijk en effectief worden geacht. In dat geval worden dergelijke procesafspraken slechts na een positief besluit van het CJIB aan de verdediging bevestigd. Het is niet mogelijk procesafspraken over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling te maken, omdat dit de beoordeling die het OM ingevolge art. 6:2:10, derde lid, Sv dient uit te voeren zou doorkruisen.8Op dit uitgangspunt bestaat een uitzondering indien er bij de zaak waarin procesafspraken worden gemaakt tevens een herroepingsvordering van de voorwaardelijke invrijheidstelling aan de orde is. Indien voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend ter zake van een vrijheidsstraf die vóór 1 juli 2021 is opgelegd (in laatste feitelijke instantie), geldt – bij overtreding van de algemene voorwaarde – namelijk dat de vordering tot (gehele of gedeeltelijke) herroeping gelijktijdig door de rechtbank wordt behandeld met het strafbare feit waarop de herroepingsvordering is gebaseerd. In die situatie is het mogelijk een procesafspraak over de vordering tot (gehele of gedeeltelijke) herroeping te maken. De officier van justitie stemt een zodanige afspraak af met de CVv.i. (Zie ook Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling). Deze aanwijzing heeft ook geen betrekking op zuiver procesmatige afspraken over het verloop van de procedure. Hierbij kan worden gedacht aan afspraken van huishoudelijke aard over de termijn waarop onderzoekswensen kunnen worden ingediend in het kader van een regiezitting óf afspraken over de splitsing van een zaak, waarbij een deel van de feiten gerechtelijk wordt afgedaan en ander deel wordt getransigeerd. Aan de bestaande praktijk ten aanzien van het maken van dergelijke zuiver procesmatige afspraken wijzigt deze aanwijzing niets.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel