Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Omschrijving belastingschade

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, belastingschadevergoeding· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 18 augustus 2023

In het kader van onteigeningen of verkopen ter voorkoming daarvan worden uiteenlopende vergoedingen betaald. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder onteigening verstaan overheidsingrijpen in de zin van artikel 3.54, twaalfde lid, Wet IB 2001. Vergoedingen die (geheel of gedeeltelijk) tot het belastbare inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige moeten worden gerekend, kunnen leiden tot belastingschade. Een vergoeding voor belastingschade leidt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 26 april 1950, ECLI:NL:HR:1950:172, en van 1 juni 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0637, niet tot heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting. Voor de inkomstenbelasting gaat het daarbij tevens om de in één aanslag tezamen met de inkomstenbelasting geheven premie voor de volksverzekeringen. Kortheidshalve wordt dat hierna als inkomstenbelasting aangeduid. Soms kan ook in andere gevallen sprake zijn van een vergoeding voor belastingschade. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2481. Daarin betaalde een notaris een belastingschadevergoeding in verband met een niet geslaagde geruisloze inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv). Overigens merk ik op dat ik mij niet kan verenigen met de wijze waarop betrokkenen in dat geval de grootte van de belastingschade hadden berekend. Ook in niet-onteigeningsgevallen wordt de belastingschade bepaald met inachtneming van het hiernavolgende, zij het dat daarbij hetgeen tot vergoeding van belastingschade aanleiding gaf in de plaats moet worden gesteld van de onteigening. In een aantal arresten heeft de Hoge Raad beslist wat in geval van onteigening onder belastingschade moet worden verstaan, zoals in HR 7 januari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB3994. Van belastingschade is sprake als in de schadeloosstelling posten zijn begrepen die fiscaal als inkomen moeten worden beschouwd en waarover meer of eerder belasting wordt geheven dan geheven zou zijn als datzelfde inkomen zonder onteigening, anders verdeeld en op andere tijdstippen aan de onteigende zou zijn toegevallen. Dit betekent dat belastingschade bestaat uit het verschil tussen: de inkomsten- of vennootschapsbelasting die de onteigende verschuldigd wordt over de thans in één bedrag ontvangen vergoeding van inkomensschade én de contant gemaakte som van de bedragen aan inkomsten- of vennootschapsbelasting over het na onteigening te missen (zelfde) inkomen of winst dat, onderscheidenlijk die, over een reeks van jaren zou zijn verschuldigd. Het is mogelijk dat een vergoeding aan bovenstaande omschrijving voldoet, maar dat toch geen sprake is van belastingschade. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2542, dat geen belastingschade optreedt als een redelijk handelende ondernemer die in gelijke omstandigheden verkeert als de belastingplichtige, rekening houdend met de belastingheffing over de boekwinst, ook zonder (dreigende) onteigening dezelfde transactie zou zijn aangegaan. Het zal dan gaan om een aanbod dat zo goed is dat het redelijkerwijze niet kan worden afgeslagen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel