**1.** Een overig zorgproduct uit de categorie supplementaire producten mag naast een dbc-zorgproduct worden gedeclareerd.
**2.** Een add-on mag tussentijds, dat wil zeggen ‘na uitvoering’ en ’eerder dan declaratie van het dbc-zorgproduct’ worden gedeclareerd.
**3.** Een add-on ic wordt per kalenderdag gedeclareerd
**4.** Een add-on dialyse toeslag op de ic (190156) mag alleen in combinatie met een ic-dag (190157 of 190158) worden gedeclareerd. Een add-on dialysetoeslag mag dus niet in combinatie met een add-on voor de neonatale ic en de pediatrische ic (190150 of 190151) worden gedeclareerd.
**5.** Bij declaratie van een add-ongeneesmiddel wordt het zorgtrajectnummer van het zorgtraject waarop het betrekking heeft meegestuurd.
**6.** Bij declaratie van een add-on ic wordt het subtrajectnummer van het zorgproduct waarop het betrekking heeft meegestuurd. Indien er sprake is van een add-on ic met zorgtype 52 wordt het (eigen) subtrajectnummer meegestuurd.
**7.** Als er geen contractuele overeenkomst is tussen de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar over de zwaarte van de te declareren behandeldagen (ic-dag type 1 of 2 met zorgactiviteitcodes 190157 of 190158), mag alleen de ic-dag type 1 in rekening worden gebracht.
**8.** De toeslag ECMO mag alleen in rekening gebracht worden als op een kalenderdag op enig moment sprake is geweest van Extra Corporele Membraan Oxygenatie therapie bij een patiënt op neonatale ic of pediatrische ic. De ECMO-prestatie mag als zijnde een toeslag naast de Neonatale intensive care of Pediatrische intensive care gedeclareerd worden.
**9.** Alleen centra voor hemofiliebehandeling en aanverwante hemostaseziekten, die door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 8 van de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (Wbmv) als zodanig zijn aangewezen, mogen ozp-stollingsfactoren voor hemofilie en aanverwante hemostaseziekten in rekening brengen. Bij de declaratie van ozp-stollingsfactoren voor overige indicaties geldt deze beperking van aangewezen centra niet.
In afwijking van de inwerkingtredingsdatum van deze regeling, treedt de inhoud van lid 9 van dit artikel met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2017.
**10.** Als een patiënt een geneesmiddel gebruikt waarvoor een add-on, respectievelijk een ozp-stollingsfactor is vastgesteld dan declareert de zorgaanbieder het geneesmiddel als add-on, respectievelijk ozp-stollingsfactor. In dat geval wordt een dergelijk geneesmiddel dus niet meer als onderdeel van een dbc-zorgproduct in rekening gebracht. Geneesmiddelen die worden ingezet in het kader van MKA-chirurgische verrichtingen (230000 t/m 239962) maken wel deel uit van deze verrichtingen en worden niet door middel van een add-ongeneesmiddel, respectievelijk ozp-stollingsfactor gedeclareerd. Het ten laste van de medisch-specialistische zorg declareren van buiten de medisch-specialistische zorg bekostigde geneesmiddelen is niet toegestaan.
**11.** De toeslag in verband met chronische beademing – revalidatie (190982) mag in rekening worden gebracht voor iedere verpleegdag waarop een patiënt, die afhankelijk is van chronische kunstmatige beademing, chronische beademing ontvangt in het kader van een revalidatiebehandeling. Het gaat hierbij om patiënten:
die gebruik maken van invasieve beademing (beademing via tracheacanule) of:
die gebruik maken van non invasieve beademing (beademing via masker) en het masker niet zelfstandig kunnen hanteren in verband met afwezige arm-handfunctie.
De inzet van de revalidatiearts in verband met een calamiteit die zich tijdens en als gevolg van de chronische beademing voordoet, vormt geen onderdeel van deze toeslag, maar wordt als directe tijd geregistreerd. Deze toeslag is ook niet van toepassing op patiënten die in principe zelfstandig ademhalen, maar waarbij op grond van hun aandoening te verwachten is dat zij incidenteel en kortdurend beademd moeten worden of een andere vorm van ondersteuning van de ademhaling nodig hebben. Voor het vastleggen van deze zorg wordt de zorgactiviteitcode Klinische verpleging – ademhaling ondersteuning (zuurstof geven, airstacken (longvolume op peil houden), longen uitzuigen) – revalidatie (190879) gebruikt.
**12.** De draagbare uitwendige cardioversie-defibrillator (LifeVest) (190668) mag eenmalig per patiënt in rekening worden gebracht bij uitgifte van de uitwendige cardioversie-defibrillator.
**13.** Een klinische zorgdag in de thuissituatie (190228) mag in rekening worden gebracht door een zorgaanbieder indien hier een schriftelijke overeenkomst met de zorgverzekeraar van de desbetreffende patiënt, over de invulling van deze prestatie, aan ten grondslag ligt.
**14.** De prestatie faecaal microbiotica transplantaat (190605) wordt per toegediende suspensie gedeclareerd door het ziekenhuis waar de toediening plaatsvindt.
**15.** Voor de toediening van totale parenterale voeding (TPV) en vocht in de thuissituatie (192861, 192862, 192863, 192864) geldt het volgende:
Deze prestaties worden gedeclareerd door de zorgaanbieder die verantwoordelijk is voor de TPV-zorgvraag van de patiënt. Deze prestaties mogen alleen gedeclareerd worden indien de patiënt in de thuissituatie verblijft. Bij deze prestaties wordt onder ‘thuissituatie’ verstaan: het verblijf buiten een instelling voor medisch-specialistische zorg en het verblijf in een instelling voor medisch-specialistische revalidatiezorg.
De voorgeschreven (verhouding tussen het) aantal dagen TPV en het aantal dagen vocht zoals vastgelegd in het medisch dossier bepaalt welke prestaties gedeclareerd mogen worden.
Het is niet toegestaan om voor één dag meerdere prestaties in rekening te brengen. Per week (=periode van zeven dagen) worden maximaal zeven prestaties gedeclareerd. Alle prestaties uit een week worden gedeclareerd met als uitvoerdatum de eerste dag van deze week. Indien het voorschrift midden in de week gestopt wordt, dan worden evenveel prestaties gedeclareerd als dagen dat het voorschrift geldig was.
De prestatie Vocht bij TPV indicatie of afhankelijkheid van NaCl en/of elektrolyten bij chronisch darmfalen in de thuissituatie, inclusief toediening per infuus, hulpmiddelen en toebehoren, per dag (192864) mag gedeclareerd worden voor:
een voor TPV-geïndiceerde patiënt een dag (of langer) geen TPV maar alleen vocht toegediend krijgt; of
een patiënt die afhankelijk is van intraveneuze toediening van NaCl en/of elektrolyten en in het kader van darmfalen vocht toegediend krijgt.
**16.** Verpleegdag kortdurende klinische revalidatie (190229)
Voor de declaratie van de add-on verpleegdag kortdurende klinische revalidatie (190229) gelden de volgende voorwaarden:
de add-on wordt eenmaal per verpleegdag geregistreerd, tot en met een maximum van 14 dagen per subtraject.
de add-on wordt uitsluitend naast een ambulant (revalidatie) dbc-zorgproduct gedeclareerd.
in afwijking van artikel 34a lid 2, wordt de add-on gedeclareerd bij het sluiten van het subtraject.
Indien de opname langer duurt dan 14 dagen, is declaratie van de add-on Verpleegdag kortdurende klinische revalidatie (190229) niet toegestaan. In plaats daarvan wordt verpleegdag (190218) gedeclareerd als onderdeel van het klinische revalidatie dbc-zorgproduct.
Voor de periode van tot en met 30 april 2026 geldt dat de add-on uitsluitend wordt gedeclareerd naast een ambulant (revalidatie) dbc-zorgproduct waarvan het bijbehorende subtraject een startdatum heeft op of na 1 januari 2026.
**17.** De prestaties voor perfusie bij donorlongen, donorlevers en (DCD) donorharten (192128 t/m 192130, 192160 en 192161) worden door het uitvoerend transplantatiecentrum eenmalig per donororgaan gedeclareerd bij een volledig uitgevoerde perfusieprocedure, ongeacht of de perfusieprocedure tot een succesvolle of niet succesvolle transplantatie heeft geleid. Deze prestaties worden in combinatie met een dbc-zorgproduct van de beoogde ontvanger gedeclareerd, in diens transplantatie-zorgtraject.
**18.** De prestatie ‘Verkeerde bed’ komt ten laste van de Wlz en wordt dientengevolge in rekening gebracht bij het zorgkantoor.
**19.** Expertiseadvies uitgevoerd door een andere instelling, zonder patiëntencontact (190174)
Advies vanuit een expertisecentrum, gericht op de (nog in te zetten) diagnostiek of behandeling van een patiënt. De patiënt is op het moment van de aanvraag voor het expertiseadvies niet voor dezelfde zorgvraag onder behandeling bij het expertisecentrum. Het advies wordt aangevraagd door de beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert en verantwoordelijk is voor de zorgvraag van de patiënt. Deze prestatie wordt door de aanvragende instelling eenmaal geregistreerd en gedeclareerd voor het volledige adviestraject voor dezelfde zorgvraag, dat uit een of meerdere contactmomenten en informatie-uitwisselingen tussen de aanvrager en het expertisecentrum kan bestaan. Hierbij is geen sprake van contact tussen het expertisecentrum en de patiënt. Het advies wordt uitgevoerd door één of meerdere beroepsbeoefenaren, werkzaam binnen hetzelfde expertisecentrum, waarvan er minimaal één de poortfunctie uitvoert.
Voor de declaratie van het expertiseadvies gelden onderstaande aanvullende voorwaarden:
het advies is uitgevoerd door een in Nederland erkend expertisecentrum voor zeldzame aandoeningen;
de aanvrager heeft, met toestemming van de patiënt, alle benodigde patiëntgegevens en medische informatie gedeeld met het expertisecentrum; en
verslaglegging van het expertiseadvies (zoals de beoordeelde uitslagen en/of geadviseerde behandelopties) is terug te vinden in het medisch dossier van de aanvrager.
**20.** Expertiseadvies uitgevoerd door een andere instelling, met patiëntencontact (190175)
Advies vanuit een expertisecentrum, gericht op de (nog in te zetten) diagnostiek of behandeling van een patiënt. De patiënt is op het moment van de aanvraag voor het expertiseadvies niet voor dezelfde zorgvraag onder behandeling bij het expertisecentrum. Het advies wordt aangevraagd door de beroepsbeoefenaar die de poortfunctie uitvoert en verantwoordelijk is voor de zorgvraag van de patiënt. Deze prestatie wordt door de aanvragende instelling eenmaal geregistreerd en gedeclareerd voor het volledige adviestraject voor dezelfde zorgvraag, dat uit een of meerdere contactmomenten en informatie-uitwisselingen tussen de aanvrager en het expertisecentrum kan bestaan. Hierbij is ook sprake van contact tussen het expertisecentrum en de patiënt. Het advies wordt uitgevoerd door één of meerdere beroepsbeoefenaren werkzaam binnen hetzelfde expertisecentrum, waarvan er minimaal één de poortfunctie uitvoert.
Voor de declaratie van het expertiseadvies gelden onderstaande aanvullende voorwaarden:
het advies is uitgevoerd door een in Nederland erkend expertisecentrum voor zeldzame aandoeningen;
de aanvrager heeft, met toestemming van de patiënt, alle benodigde patiëntgegevens en medische informatie gedeeld met het expertisecentrum; en
verslaglegging van het expertiseadvies (zoals de beoordeelde uitslagen en/of geadviseerde behandelopties) is terug te vinden in het medisch dossier van de aanvrager.
**21.** De add-on overig telemonitoring (039133) wordt maximaal één keer per 120 dagen gedeclareerd. Declaratie van de add-on overig telemonitoring (039133) vindt plaats zo lang de patiënt gebruik maakt van telemonitoring. Ook wanneer er gedurende die 120 dagen tijdsintervallen zijn waarbinnen geen meting plaatsvindt, wordt de prestatie gedeclareerd.
**22.** Voor de declaratie van medisch geïndiceerde vaccinaties (190591, 190592, 190593, 190594) geldt het volgende:
Deze prestaties worden gedeclareerd indien:
vaccinaties worden toegediend aan patiënten die vallen in een medische risicogroep; en
deze vaccinaties in aanmerking komen voor vergoeding ten laste van de Zorgverzekeringswet.
Er wordt één prestatie gedeclareerd voor de gehele set aan vaccinaties (het gehele vaccinatiepakket) waarvoor de patiënt in aanmerking komt. Binnen dit vaccinatiepakket maakt het niet uit hoeveel toedieningen de patiënt krijgt en hoeveel tijd er tussen de (herhaal)toedieningen zit. Pas wanneer een patiënt het gehele vaccinatiepakket opnieuw ontvangt, wordt een nieuwe prestatie in rekening gebracht.
De prestatie wordt gedeclareerd met als uitvoerdatum de datum waarop de eerste toediening plaatsvindt.
**23.** De prestatie proactieve zorgplanning (190099):
Wordt uitsluitend gedeclareerd door de zorgaanbieder waar de patiënt op de uitvoerdatum onder behandeling is, al dan niet in combinatie met klinisch verblijf.
Wordt niet eerder gedeclareerd dan nadat het zorgplan door de zorgaanbieder bedoeld onder a transmuraal is gedeeld met de overige betrokken zorgverleners bedoeld in artikel 26, lid 5, negende bullet.
Wordt maximaal één keer per 365 dagen gedeclareerd. De eerste termijn van 365 dagen vangt aan op de uitvoerdatum, d.w.z. op de dag waarop het eerste gesprek in het kader van proactieve zorgplanning heeft plaatsgevonden.
Wordt niet gedeclareerd in combinatie met, respectievelijk d.m.v. een koppeling aan, een dbc-zorgproduct palliatieve zorg (dbc-zorgproductgroep 990040).
Hoofdstuk VI
Artikel 34a
Declaratiebepalingen voor overige zorgproducten uit de categorie supplementaire producten
Onderdeel van Regeling medisch-specialistische zorg· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026