Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Wijziging specifieke uitkering op aanvraag

Onderdeel van Regeling specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. Op aanvraag van een gemeente aan wie een specifieke uitkering is verleend, kan de minister het besluit tot verlening van de specifieke uitkering wijzigen. 2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op: een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid; of een wijziging van een infrastructurele voorziening waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt. 3. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 9, zevende lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of de realisatie van de infrastructurele voorzieningen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan genoemd in artikel 9, derde tot en met vijfde lid. 4. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een infrastructurele voorziening, genoemd in de bijlage, mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de infrastructurele voorziening ziet op dezelfde vervoersmodaliteit als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de infrastructurele voorziening waarop het oorspronkelijke besluit ziet. 5. Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifiek uitkering. 6. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende tekort per woningbouwlocatie is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit. 7. Op aanvraag van de ontvanger kan naar het redelijk oordeel van de Minister in afwijking van het vijfde lid een hoger bedrag worden verleend, mits daardoor het uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet wordt overschreden. De Minister kan daarbij afwijken van het percentage, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, subonderdeel 7. 8. De Minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste of zevende lid. 9. Indien een beschikking niet binnen de termijn, genoemd in het achtste lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel