**1.** Onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties werken samen in samenwerkingsverbanden om de duurzame publiek-private samenwerking in het beroepsonderwijs vorm te geven en uit te voeren.
**2.** Het samenwerkingsverband kan bestaan uit:
één of meer onderwijsinstellingen;
één of meer arbeidsorganisaties;
het georganiseerde bedrijfsleven;
één of meer O&O-fondsen;
één of meer regionale overheden;
één of meer aanbieders van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs als bedoeld in de WEB;
één of meer scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, als bedoeld in de artikelen 2.4 en 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
één of meer scholen voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra;
één of meer instellingen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of
andere partijen die bijdragen aan de verbetering van de aansluiting van het middelbaar beroepsonderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt.
**3.** In het samenwerkingsverband werken in ieder geval één onderwijsinstelling en in ieder geval één arbeidsorganisatie samen.
**4.** Arbeidsorganisaties die nog niet deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen daartoe de wens kenbaar maken bij de onderwijsinstelling in het betreffende samenwerkingsverband. De onderwijsinstelling draagt er in dat geval in redelijkheid zorg voor dat de arbeidsorganisatie in de gelegenheid wordt gesteld om deel te nemen aan het samenwerkingsverband, met inachtneming van de voorschriften van deze regeling.
Paragraaf 2
Artikel 10
Samenwerkingsverband
Onderdeel van Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2026