Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.3

Verantwoording

Onderdeel van Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028 Fonds voor Cultuurparticipatie· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 23 november 2023

1. De aanvrager stuurt jaarlijks voor 1 mei een financiële verantwoording in van de uitgevoerde activiteiten in het vorige kalenderjaar. Deze financiële verantwoording zal worden aangevuld met een verantwoording op de resultaten. In het tweede jaar, te weten 2026, en in het vierde jaar, te weten 2028, zal de aanvrager de financiële verantwoording en de verantwoording op resultaatafspraken vergezellen van een inhoudelijk voortgangsverslag. 2. De financiële verantwoording sluit aan op de ingediende begroting en gaat indien de subsidie gelijk is aan of hoger is dan € 125.000 per project, vergezeld met een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring dient te zijn opgesteld overeenkomstig een door het Fonds vast te stellen protocol. Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 7, 11, 12, 14 en 15, is van toepassing op de financiële verantwoording, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening. 3. Het Fonds stelt nadere voorwaarden aan de inrichting van de verantwoording. Die nadere voorwaarden zijn terug te vinden in het Handboek Verantwoording Cultuureducatie met Kwaliteit 2025–2028. 4. De aanvrager draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan onderzoeken naar de verrichte (controle)werkzaamheden door een door het Fonds aan te wijzen partij. De daaraan verbonden kosten van de penvoerder zijn voor eigen rekening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel