De beslisboom wordt ingezet om de locaties op de Noordzee vast te stellen waar baggerspecie in overeenstemming met de geldende algemene regels toegepast of verspreid kan worden. De beslisboom leidt tot een overzicht van locaties waar verspreiding en toepassing van baggerspecie plaats kunnen vinden in overeenstemming met de specifieke zorgplicht van het Bal.
De beslisboom is opgebouwd uit de volgende twee stappen:
Uitsluiten van gebieden op basis van functies en effecten:
ongeacht samenstelling van de baggerspecie;
afhankelijk van textuur en samenstelling van de baggerspecie.
Aanwijzen van gebieden die de voorkeur hebben:
op basis van generieke principes;
op basis van lokale omstandigheden, fysische en chemische kwaliteit van de te verspreiden of toe te passen baggerspecie en de wijze waarop het onderhoudsproces is vormgegeven.
In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op deze stappen.
Een van de oogmerken waarmee de algemene regels van het Bal voor het toepassen van grond en baggerspecie zijn gesteld is het bevorderen van maatschappelijke functies door watersystemen. Daarnaast gelden als oogmerken – voor zover hier van belang – het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.
Het kabinet heeft in het Programma Noordzee 2022–2027 dat een bijlage is bij het Nationaal Waterprogramma 2022–2027 onder meer de volgende beleidsdoelstellingen geformuleerd en de activiteiten op de Noordzee aangewezen en uitgewerkt op basis van de NOVI die van nationaal belang zijn: zandwinning, duurzame (wind)energiewinning, olie- en gaswinning, CO2-opslag, zeescheepvaart en militaire oefeningen op zee.1Programma Noordzee 2022–2027, zie overzicht Tabel 10.3, p.140. Deze gebieden staan aangegeven op de structuurvisiekaart in hoofdstuk 9 van het Programma Noordzee 2022-2027. Andere activiteiten mogen plaatsvinden in deze gebieden mits deze de activiteiten van nationaal belang niet belemmeren.
Het toepassen of verspreiden van baggerspecie in gebieden die gereserveerd zijn voor zandwinning, kabels en leidingen en scheepvaart is in strijd met de specifieke zorgplicht van het Bal, omdat het die maatschappelijke functies belemmert. In actieve zandwingebieden en gebieden met een strategische zandwinvoorraad moet het te winnen zand beschikbaar blijven voor winning en dus niet bedolven worden onder baggerspecie. Bij kabel- en leidingstroken (zowel bestaande als geplande) kan de aanleg van of het onderhoud aan kabels en leidingen worden belemmerd. Verspreiden van baggerspecie bij scheepvaartgeulen leidt tot vermindering van de beschikbare vaardiepte. Ook gebieden met natuurwaarden (zoals levende schelpdierbanken) zijn niet verenigbaar met zorgvuldige toepassing van baggerspecie.
Het verspreiden van baggerspecie boven of in de directe omgeving van schelpdierbanken leidt tot sterfte onder schelpdieren of verstoring van macrofauna. Dit heeft nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het watersysteem.
Bij het verspreiden van baggerspecie komt verhoudingsgewijs veel baggerspecie in de directe omgeving tot bezinking, voordat het in het (natuurlijk) sedimenttransport wordt opgenomen. Het invloedgebied is afhankelijk van de lokale omstandigheden en de eigenschappen van de baggerspecie. Er wordt daarom bij de selectie van gebieden een afstand aangehouden van 1.500 meter tot rust- en zoogplaatsen van zeehonden, 1.000 meter tot levende schelpdierbanken of 500 meter tot overige functies of gebruik.
Naast de beperkingen die de specifieke zorgplicht van het Bal oplevert, is het overigens in bepaalde gebieden ook feitelijk niet toegestaan om te varen met een baggerschip. Voorbeelden daarvan zijn windparken, de omgeving van olie- en gasplatforms, ankergebieden en militaire terreinen. In deze gebieden is toepassen of verspreiden van baggerspecie dus niet aan de orde vanwege andere dan voorgenoemde belangen.
Het verspreiden van baggerspecie boven scheepswrakken wordt vanuit archeologisch oogpunt niet als een probleem gezien. Wrakken aan de oppervlakte worden immers beter geconserveerd indien ze ‘begraven’ worden. Daarbij komt dat er erg veel wrakken zijn die in sommige gevallen alleen een roestig anker betreffen. Daarom wordt verspreiden van baggerspecie rond wrakken, vanaf een afstand van 100 meter, wel acceptabel gevonden.
Gebieden kunnen tevens worden uitgesloten voor verspreiden of toepassen op basis van de samenstelling van de baggerspecie. Het gaat hierbij om het in de kustzone verspreiden of toepassen van baggerspecie met hoge slibgehalten. De reden hiervoor is dat de lage zandfractie de baggerspecie ongeschikt maakt voor toepassing ter versterking van het kustfundament. Overigens voldoet de kwaliteit van slibrijke baggerspecie vaak niet aan de aanwezige achtergrondkwaliteit van de kustzone en het strand, zodat het toepassen in de kustzone om die reden al strijdig is met het de algemene regels van het Bal.
Eenzelfde afweging geldt voor slibrijke baggerspecie bij havenmonden. Door het optreden van een retourstroom van slib is het vanuit milieuoogpunt (emissies) en vanuit functionaliteit niet wenselijk om baggerspecie te dicht bij de havens te toe te passen of te verspreiden.
Na het uitsluiten van gebieden in de eerste stap blijven de locaties over waar baggerspecie in overeenstemming met de specifiek zorgplicht van het Bal kan worden toegepast of verspreid. Tussen deze locaties kunnen echter nog grote verschillen bestaan in voorkeur. Hierbij spelen de volgende afwegingen een rol.
In algemene zin heeft het de voorkeur om de verstoring van lokale bodemfauna door toepassing of verspreiding van baggerspecie te beperken. Dit vertaalt zich in de volgende principes:
het gebruiken van bestaande verspreidingslocaties verdient de voorkeur;
het gebruiken van oude zandwinputten die volledig uitgeput zijn, verdient de voorkeur;
het totale areaal waar baggerspecie wordt verspreid, wordt bij voorkeur beperkt.
Naast de generieke principes, spelen lokale omstandigheden, de fysische en chemische kwaliteit van de te verspreiden baggerspecie en de wijze waarop het onderhoudsproces is vormgegeven een rol bij de keuze van een voorkeurslocatie voor toepassing en verspreiding:
Zoveel als mogelijk inzetten van zand uit vaargeulen op de Noordzee dat voldoet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem voor onderhoud aan de basis kustlijn.
Inzetten van zandige baggerspecie voor het behoud van het kustfundament;
Optimaliseren van de inrichting van de verspreidingslocatie, waardoor verspreiden in het gehele systeem, zo goed als mogelijk wordt behaald.
Optimaliseren van de verspreidingslocaties gerelateerd aan het optreden van een retourstroom en de locaties van zandwingebieden om de baggercyclus zo optimaal mogelijk in te richten.
Onderhoudsbaggerspecie uit de Noordzee (zand) wordt in het geval er lokaal erosiegevoelige plekken aan de kust zijn, zoveel als mogelijk ingezet in het kader van onderhoud aan de basiskustlijn. Hiermee wordt de hoeveelheid zand die gewonnen dient te worden voor suppleties gereduceerd en neemt, op voorwaarde dat een lokale onderhoudsbehoefte aan de kust aanwezig is, de totale emissie af. Indien aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, wordt de baggerspecie niet verspreid als bedoeld in artikel 4.1269, tweede lid, onder g Bal, maar toegepast onder artikel 4.1269, derde lid onder b Bal). Voorwaarde is wel dat dit materiaal voldoet aan de lokale wensen betreffende de korrelgrootteverdeling (D50 >175μm en <375μm).
Onderhoudsbaggerwerkzaamheden kunnen tevens bijdragen aan het onderhoud aan het kustfundament. Door zandige baggerspecie toe te passen boven het kustfundament wordt bijgedragen aan het op peil houden van of zelfs mee laten stijgen van het kustfundament met de zeespiegelstijging. Ook hier wordt een reductie van de hoeveelheid te winnen zand gerealiseerd.
Het oogmerk voor het verspreiden van baggerspecie onder betreft het weer in het systeem terugbrengen van de baggerspecie. Het feit dat bij een verspreidingslocatie een deel van de baggerspecie op de bodem achterblijft, doet daar op zich niet aan af. Wel moet geprobeerd worden om een verspreidingslocatie te kiezen die gezien de fysische omstandigheden het beste als een ‘slibpomp’ werkt.
De uiteindelijke verspreidingslocatie dient in de buurt van het herkomstgebied van de baggerspecie en eventuele operationele zandwingebieden te liggen. Vanuit het oogpunt van een aanwezige retourstroom is een locatie te dicht bij de haveningang niet wenselijk (bij verspreiden van slibrijke baggerspecie).
Artikel 3
Beslisboom toepassing en verspreiding baggerspecie
Onderdeel van Beleidsregel Toepassen en verspreiden baggerspecie op de Noordzee· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 23 december 2023