**1.** Een vergunning verleend op grond van:
het Besluit grote inrichtingen milieubeheer BES;
de Hinderverordening Bonaire;
de Hinderverordening Sint Eustatius 1993;
de Hinderverordening Bovenwindse Eilanden;
wordt aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet.
**2.** Bij wettelijke procedures of rechtsgedingen waarbij het bestuurscollege niet meer het bevoegd gezag is, na inwerkingtreding van artikel 6.2, treedt Onze Minister in de plaats van het bestuurscollege.
**3.** Als een activiteit voor de inwerkingtreding van dit besluit zonder ontheffing of vergunning onafgebroken is verricht binnen en bij de inwerkingtreding van dit besluit voor die activiteit een vergunningplicht van toepassing wordt als bedoeld in artikel 3.1, geldt dat de aanvraag voor die vergunning binnen één maand na inwerkingtreding van dit besluit wordt gedaan bij het bevoegde gezag.
**4.** Als vóór inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag voor een hindervergunning op grond van artikel 3 van de Hinderverordening Bonaire of de hinderverordening Sint Eustatius 1993 is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
**5.** Beroepen bij een administratieve rechter of vorderingen die betrekking hebben op besluiten die zijn genomen op basis van de regelgeving als genoemd in het eerste lid, worden afgedaan op basis van het recht dat van toepassing was voor inwerkingtreding van dit besluit.
**6.** Archiefbescheiden en de daarmee samenhangende verplichtingen met betrekking tot de vergunning, bedoeld in het eerste lid, waarvoor reeds een aanvraag is ingediend en waarover op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.2 nog geen toekenning heeft plaatsgevonden, of waarover al een besluit tot toekenning van een vergunning is genomen, worden door het bestuurscollege overgedragen aan Onze Minister, voor zover de Minister het bevoegd gezag is voor die vergunningen en zij niet al zijn overgebracht naar een voorgeschreven archiefbewaarplaats.
**7.** Degene die een inrichting type II drijft die is opgericht voor de inwerkingtreding van dit besluit en die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit niet over een onherroepelijke hindervergunning beschikt, meldt binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van dit besluit, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
**8.** Als op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het zevende lid, nog niet is beslist op een aanvraag om een hindervergunning, is het zevende lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om de hindervergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 2.2.