Bij het nemen van een sepotbeslissing worden de belangen van het slachtoffer uitdrukkelijk meegewogen. Op verzoek van het slachtoffer informeert het openbaar ministerie het slachtoffer schriftelijk over de sepotbeslissing. In de sepotmededeling worden de redenen voor de sepotbeslissing gegeven. Bij de sepotmededeling wordt het slachtoffer ook gewezen op de mogelijkheid om een klacht als bedoeld in artikel 12 Sv in te dienen bij het gerechtshof vanwege het uitblijven van strafvervolging. Het slachtoffer ontvangt op zijn verzoek informatie om te beslissen over het doen van klacht bij het gerechtshof als bedoeld in artikel 12 Sv.
Het openbaar ministerie houdt bij aanbieding van een strafbeschikking of transactie zo veel mogelijk rekening met de belangen van slachtoffers.7In bijlage 1 bij de Aanwijzing OM-strafbeschikking staan contra-indicaties voor het opleggen van een OM-strafbeschikking, waaronder dat het slachtoffer te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van het spreekrecht. Het OM-hoorgesprek met de verdachte is niet openbaar en het slachtoffer kan hier niet bij aanwezig zijn. Het slachtoffer kan wel zijn wensen kenbaar maken, zoals de wens dat bij de oplegging van de OM-strafbeschikking rekening wordt gehouden met geleden schade. Het OM brengt het slachtoffer tijdig op de hoogte van de datum van het OM-hoorgesprek met de verdachte, zodat het slachtoffer stukken ter onderbouwing van een mogelijk schadeverhaal tijdig kan indienen en een schriftelijke slachtofferverklaring tijdig kan laten voegen. Na oplegging van de strafbeschikking, wordt het slachtoffer op verzoek door of namens het openbaar ministerie geïnformeerd over de inhoud van een strafbeschikking. Tevens wordt het slachtoffer op verzoek door het openbaar ministerie geïnformeerd over de voorwaarden van het transactieaanbod. Het openbaar ministerie wijst het slachtoffer op de mogelijkheid om een klacht als bedoeld in art. 12 Sv bij het gerechtshof in te dienen tegen het uitvaardigen van de strafbeschikking of het aanbieden van een transactie.
Als de officier van justitie daartoe aanleiding ziet, kan de officier van justitie voorafgaand of na het nemen van de afdoeningsbeslissing van een spreekrechtwaardig feit (sepot, strafbeschikking, dagvaarding) deze beslissing mondeling toelichten of laten toelichten. Het voornemen om een ernstig geweldsdelict, ernstig verkeersdelict of ernstig zedendelict af te doen met een sepot wordt altijd mondeling toegelicht.
Elk slachtoffer kan een schriftelijke slachtofferverklaring opstellen om de rechter, de officier van justitie en de verdediging te informeren over zaken die relevant worden geacht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte. De officier van justitie voegt gezien artikel 51b lid 2 Sv de schriftelijke slachtofferverklaring in beginsel als processtuk toe aan het procesdossier. In het wensenformulier wordt het slachtoffer gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een schriftelijke slachtofferverklaring.
Aan het slachtoffer van een spreekrechtwaardig delict wordt een gesprek aangeboden met de officier van justitie als de strafzaak voor de meervoudige kamer wordt gebracht. Het gesprek heeft tot doel het slachtoffer informatie te verschaffen over de gang van zaken ter terechtzitting, de bewijspositie en de strafeis en voor te bereiden op de confrontatie met de verdachte. Het slachtoffer wordt in de gelegenheid gesteld tijdens het gesprek zijn wensen delen met de officier van justitie, zoals de wens tot oplegging van een contact- of gebiedsverbod of wensen over het onderzoek ter terechtzitting. In het geval het slachtoffer tijdens de terechtzitting gebruik wil maken van het spreekrecht, heeft de officier van justitie in het bijzonder de verantwoordelijkheid om het slachtoffer hierover voor te lichten. Vraagt het slachtoffer na dagvaarding van de verdachte op eigen initiatief om een gesprek met de officier van justitie, dan wordt dit gesprek het slachtoffer in beginsel niet onthouden.
Artikel 5
Vervolging
Onderdeel van Aanwijzing slachtoffers in het strafproces· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 maart 2024