**1.** Aan de inspecteur-generaal wordt ten behoeve van de werkzaamheden van de autoriteit mandaat en machtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister, bedoeld in de hoofdstukken IIIA en IV van de wet en artikel 118a, eerste lid, 130a en 134 van de wet, voor zover die verband houden met de bevoegdheden waarvan aan de autoriteit ingevolge deze wet mandaat en machtiging wordt verleend.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 19, vierde lid, 20, tweede en vijfde lid, 41b, 44, derde tot en met zesde lid, 53a, eerste lid, 54a en in de artikelen 57 tot en met 59, 59c, vierde en vijfde lid, 59g en in de artikelen 61a, eerste lid, tweede volzin en tweede lid, 61h, 61k, 61l, 61lb, 61u en in afdeling 6 van de wet.
**3.** Aan de inspecteur-generaal wordt ten behoeve van de werkzaamheden van de autoriteit mandaat en machtiging verleend voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Minister, bedoeld in:
hoofdstuk III, paragrafen 1, 3, 4 en 5, hoofdstuk IV en hoofdstuk V, met uitzondering van de artikelen 35, 36, 38, 39, eerste lid, tweede en derde volzin en 40 van het besluit,
artikel 121 van het besluit, met uitzondering van het eerste lid, laatste volzin, en
artikel 122 van het besluit voor zover de toepassing daarvan verband houdt met bevoegdheden waarvan de autoriteit anderszins mandaat wordt verleend.
Paragraaf 2
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 7 maart 2024