In dit onderdeel ga ik in op specifieke situaties die voorkomen bij een fiscale eenheid die via een topmaatschappij tot stand komt of een fiscale eenheid die tot stand komt via de aanwezigheid van een tussenmaatschappij.
In dit onderdeel versta ik onder:
een zuster-fiscale eenheid: een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, tweede lid, Wet Vpb 1969;
een fiscale eenheid zonder topmaatschappij: een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, Wet Vpb 1969.
Daar waar ik spreek over een fiscale eenheid, zonder dat ik deze nader specificeer, kan dit gaan over zowel de zuster-fiscale eenheid als de fiscale eenheid zonder topmaatschappij.
In artikel 15, elfde lid, Wet Vpb 1969 is geregeld dat bij voeging en ontvoeging van een maatschappij in hetzelfde boekjaar, ten aanzien van die maatschappij, geacht wordt voor de tussenliggende periode geen fiscale eenheid tot stand te zijn gekomen. Ik acht dit ongewenst als een zuster-fiscale eenheid tot stand komt en die fiscale eenheid nog in hetzelfde boekjaar – onder toepassing van artikel 41 Bfe 2003 – wordt opgevolgd door een fiscale eenheid zonder topmaatschappij ingeval dezelfde maatschappij de (aangemerkte) moedermaatschappij blijft. Ook de omgekeerde situatie is mogelijk.
De in een EU-lidstaat gevestigde Z CO houdt alle aandelen in X BV en Y BV. X BV en Y BV vormen in de loop van hun boekjaar een zuster-fiscale eenheid waarbij Z CO de topmaatschappij is en X BV de aangemerkte moedermaatschappij. In het boekjaar waarin de zuster-fiscale eenheid tot stand is gekomen, worden de aandelen Y BV overgedragen aan X BV. Door de overdracht eindigt de zuster-fiscale eenheid. Omdat dit in hetzelfde boekjaar plaatsvindt als het aangaan van die fiscale eenheid, wordt door toepassing van artikel 15, elfde lid, Wet Vpb 1969 geacht geen fiscale eenheid tot stand te zijn gekomen. Direct aansluitend komt wederom een fiscale eenheid tot stand tussen X BV en Y BV (ditmaal op basis van artikel 15, eerste lid, Wet Vpb 1969). Artikel 41 Bfe 2003 wordt toegepast.
Ik acht het ongewenst als in deze situatie een boekjaarafsluiting plaats moet vinden. Hetzelfde geldt in de omgekeerde situatie. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat toepassing van artikel 15, elfde lid, Wet Vpb 1969 achterwege blijft in het geval dat een zuster-fiscale eenheid die in een boekjaar tot stand komt in hetzelfde boekjaar overgaat in een fiscale eenheid zonder topmaatschappij of vice versa.
Ik stel hierbij als voorwaarden dat dezelfde maatschappij de (aangemerkte) moedermaatschappij blijft en dat de overgang plaatsvindt onder toepassing van artikel 41 Bfe 2003.
Als artikel 41 Bfe 2003 wordt toegepast en de aansluitende fiscale eenheid dezelfde (aangemerkte) moedermaatschappij heeft als de voorafgaande fiscale eenheid, acht ik het ongewenst dat maatschappijen van de voorafgaande fiscale eenheid die ook deel gaan uitmaken van de aansluitende fiscale eenheid hun boekjaar moeten afsluiten.
De in een EU-lidstaat gevestigde C CO houdt alle aandelen in A BV en in de eveneens in die EU-lidstaat gevestigde D CO. A BV houdt alle aandelen in B BV. A BV en B BV vormen een fiscale eenheid zonder topmaatschappij. Vervolgens draagt A BV de aandelen in B BV over aan D CO. Door de overdracht eindigt de fiscale eenheid. Direct aansluitend komt wederom een fiscale eenheid tot stand tussen A BV en B BV, waarbij C CO de topmaatschappij is, D CO een tussenmaatschappij en A BV de aangemerkte moedermaatschappij. Artikel 41 Bfe 2003 wordt toegepast.
Ik acht het ongewenst als in deze situatie een boekjaarafsluiting plaats moet vinden. Hetzelfde geldt in de omgekeerde situatie. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat een boekjaarafsluiting achterwege blijft bij de overgang van een fiscale eenheid zonder topmaatschappij naar een fiscale eenheid met topmaatschappij of vice versa.
Ik stel hierbij de voorwaarden dat de voorafgaande en de aansluitende fiscale eenheid dezelfde (aangemerkte) moedermaatschappij hebben en dat de overgang plaatsvindt met toepassing van artikel 41 Bfe 2003.
Voor de volledigheid merk ik op dat als de oude fiscale eenheid meerdere dochtermaatschappijen heeft, er geen verplichting is dat alle dochtermaatschappijen onderdeel gaan uitmaken van de aansluitende fiscale eenheid. Voor de dochtermaatschappijen die geen onderdeel gaan uitmaken van de aansluitende fiscale eenheid, gelden uiteraard de reguliere wettelijke bepalingen bij het einde van de fiscale eenheid.
Als een topmaatschappij juridisch fuseert in haar 100%-aandeelhouder dan eindigt de fiscale eenheid op grond van artikel 15, tiende lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969. Als vervolgens een nieuwe fiscale eenheid wordt aangegaan tussen dezelfde maatschappijen met de verkrijgende rechtspersoon als nieuwe topmaatschappij, slaagt een beroep op de doorschuiffaciliteit van artikel 41 Bfe 2003 niet. Dit is zo omdat niet is voldaan aan de voorwaarde uit artikel 41, eerste lid, onderdeel b, Bfe 2003. Als de topmaatschappij namelijk in Nederland zou zijn gevestigd en moedermaatschappij zou zijn van de fiscale eenheid, zou de fiscale eenheid ook door deze fusie zijn beëindigd.
Stel dat X BV en Y BV een fiscale eenheid vormen met de in EU-lidstaat 1 gevestigde Z CO als topmaatschappij en Z CO fuseert juridisch in haar 100%-aandeelhouder W CO die is gevestigd in EU-lidstaat 2. Vervolgens gaan X BV en Y BV opnieuw een fiscale eenheid aan, maar nu met W CO als topmaatschappij.
In de beschreven situatie moet ook het boekjaar worden afgesloten (artikel 15, tweede lid, Wet Vpb 1969). Ik acht het niet kunnen toepassen van artikel 41 Bfe 2003 en de boekjaarafsluiting ongewenst in situaties waarin aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat artikel 41 Bfe 2003 kan worden ingeroepen en dat het lopende boekjaar niet hoeft te worden afgesloten in het geval dat een topmaatschappij juridisch fuseert in haar 100%-aandeelhouder.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden:
De 100%-aandeelhouder kwalificeert als topmaatschappij.
De 100%-aandeelhouder is niet opgericht of tussengevoegd met het oog op de fusie.
De betrokken belastingplichtigen krijgen geen recht op voordelen die ze ook niet hadden gehad als de betreffende 100%-aandeelhouder altijd volledig binnenlands belastingplichtig was geweest.
De voorafgaande en de aansluitende fiscale eenheid bestaan uit dezelfde maatschappijen en dezelfde aangemerkte moedermaatschappij.
Aan alle overige voorwaarden van artikel 41 Bfe 2003 wordt voldaan.
Een juridische fusie van een dochtermaatschappij in een tussenmaatschappij kan leiden tot het einde van die fiscale eenheid zonder doorschuiffaciliteit.
De in een EU-lidstaat gevestigde E CO houdt de aandelen in F BV en de eveneens in die EU-lidstaat gevestigde G CO. G CO houdt de aandelen in H BV. F BV en H BV vormen een zuster-fiscale eenheid waarbij E CO de topmaatschappij is, F BV de aangemerkte moedermaatschappij en G CO een tussenmaatschappij. H BV fuseert juridisch als verdwijnende rechtspersoon met G CO. Hierdoor ontstaat een in Nederland aanwezige vaste inrichting van G CO (als bedoeld in artikel 15, achtste lid, Wet Vpb 1969). Onmiddellijk na de fusie vormt F BV als aangemerkte moedermaatschappij een zuster-fiscale eenheid met (de vaste inrichting van) G CO.
R NV houdt alle aandelen in de in een EU-lidstaat gevestigde S CO die op haar beurt alle aandelen houdt in T BV. R NV en T BV vormen een fiscale eenheid zonder topmaatschappij. T BV fuseert als verdwijnende rechtspersoon met S CO. Hierdoor ontstaat een in Nederland aanwezige vaste inrichting van S CO (als bedoeld in artikel 15, achtste lid, Wet Vpb 1969). Onmiddellijk na de fusie vormt R NV als moedermaatschappij een fiscale eenheid zonder topmaatschappij met (de vaste inrichting van) S CO.
In beide voorbeelden eindigt door de juridische fusie de (oorspronkelijke) fiscale eenheid op grond van artikel 15, tiende lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969. Er wordt niet langer aan de vereisten voor vorming van een fiscale eenheid voldaan om twee redenen. De gevoegde dochtermaatschappij bestaat niet langer en de tussenmaatschappij kan niet langer als zodanig kwalificeren omdat die buitenlands belastingplichtige wordt. Toepassing van artikel 41 Bfe 2003 is niet mogelijk, omdat de fiscale eenheid eindigt op grond van artikel 15, tiende lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969.
Ik acht dit ongewenst als de tussenmaatschappij niet is opgericht of tussengevoegd met het oog op de fusie. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat voor de bepaling van de fiscale gevolgen van de juridische fusie in de beschreven situaties, de tussenmaatschappij wordt geacht direct voorafgaand aan de fusie als buitenlands belastingplichtige deel uit te maken van de fiscale eenheid tussen de (aangemerkte) moedermaatschappij en de verdwijnende dochtermaatschappij en dat deze fusie geacht wordt plaats te vinden onder toepassing van artikel 18 Bfe 2003.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
De voormalige tussenmaatschappij van de oude fiscale eenheid vormt (met voornoemde vaste inrichting) onmiddellijk na de juridische fusie een fiscale eenheid waarbij dezelfde maatschappij de (aangemerkte) moedermaatschappij is.
Al hetgeen door de verkrijgende rechtspersoon in het kader van de fusie is verkregen gaat behoren tot het vermogen van de fiscale eenheid.
De betrokken belastingplichtigen krijgen geen recht op voordelen die men ook niet had gehad als de tussenmaatschappij altijd volledig binnenlands belastingplichtig was geweest.
Artikel 14
Fiscale eenheid via een topmaatschappij of tussenmaatschappij
Onderdeel van Verzamelbesluit fiscale eenheid· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 26 april 2024