Op het voegingstijdstip van een maatschappij kan tot haar vermogen een deelneming behoren waarvan de onderneming geheel of nagenoeg geheel is gestaakt, dan wel een besluit tot staking is genomen. Een latent liquidatieverlies dat op dat tijdstip aanwezig is en ziet op die deelneming mag slechts worden afgezet tegen de winst van de fiscale eenheid, voor zover die winst toerekenbaar is aan de maatschappij die de betreffende deelneming bezit (artikel 15ab, tweede lid, Wet Vpb 1969). Hetzelfde geldt als op het voegingstijdstip van een dochtermaatschappij, deze maatschappij activiteiten in een andere staat heeft en aannemelijk is dat op of voor het voegingstijdstip is besloten deze activiteiten te staken. Een latent stakingsverlies dat op dat tijdstip aanwezig is en ziet op die activiteiten mag slechts worden afgezet tegen de positieve bedragen die aan die maatschappij zijn toe te rekenen (artikel 7b Bfe 2003).
Deze regelingen voorkomen dat een liquidatieverlies of stakingsverlies van een maatschappij dat op haar voegingstijdstip al latent aanwezig is, wordt verrekend met de (positieve) winst van de fiscale eenheid die toerekenbaar is aan de andere maatschappijen van de fiscale eenheid.
In bepaalde gevallen kan onverkorte toepassing van deze regelingen leiden tot gevolgen die ik niet gewenst vind. In onderdeel 4.1 heb ik daarom een goedkeuring opgenomen. In onderdeel 4.2 beschrijf ik een situatie waarin ik van geval tot geval zal beoordelen of een goedkeuring op zijn plaats is. Deze onderdelen zijn van overeenkomstige toepassing op latente stakingsverliezen.1Zie ook de brief aan de Tweede Kamer van 9 februari 2017 waarin dit reeds is bevestigd voor de voorloper van dit besluit (Kamerstukken II 2016/17, 34 323, nr. 19, p. 3).
Als een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid, zou onverkorte toepassing van artikel 15ab, tweede lid, Wet Vpb 1969 ertoe leiden dat de verrekening van het latente liquidatieverlies wordt beperkt. Een bestaand liquidatieverlies kan dan slechts worden afgezet tegen de winst van de nieuwe fiscale eenheid, voor zover die winst toerekenbaar is aan de maatschappij die de betreffende deelneming bezit. Bij de oude fiscale eenheid kon het (latente) liquidatieverlies worden afgezet tegen de gehele winst van die fiscale eenheid. Deze uitwerking vind ik ongewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat op verzoek van de betrokken belastingplichtigen de inspecteur toestaat dat bij de toepassing van artikel 15ab, tweede lid, Wet Vpb 1969, in afwijking van het bepaalde in artikel 15aa, eerste lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 het bepaalde in artikel 15ae, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969 overeenkomstige toepassing kan vinden.
Als een moedermaatschappij als verdwijnende rechtspersoon is betrokken bij een juridische fusie eindigt de fiscale eenheid. Worden de dochtermaatschappijen van de beëindigde fiscale eenheid vervolgens ná de juridische fusie opgenomen in een fiscale eenheid met (de bij de juridische fusie van die moedermaatschappij verkregen Nederlandse onderneming van) de verkrijgende rechtspersoon, dan vindt artikel 15ab, tweede lid, Wet Vpb 1969 onverkort toepassing. Als de verkrijgende rechtspersoon al vóór de fusie belastingplichtig is in Nederland en voldoet aan de overige voorwaarden kan voorafgaand aan de juridische fusie de bestaande fiscale eenheid worden opgenomen in een fiscale eenheid met de verkrijgende rechtspersoon als moedermaatschappij. De goedkeuring uit onderdeel 4.1 kan dan op verzoek worden toegepast en de juridische fusie leidt vervolgens niet tot het einde van de nieuwe fiscale eenheid als gebruik wordt gemaakt van artikel 18 Bfe 2003.
Als de verkrijgende rechtspersoon niet belastingplichtig is in Nederland kan de hierboven beschreven nieuwe fiscale eenheid niet worden gevormd vóór de juridische fusie. In dat geval zal ik aan de hand van de feiten en omstandigheden van de voorgelegde situatie beoordelen of en op welke wijze een versoepeling van artikel 15ab, tweede lid, Wet Vpb 1969 door mij kan worden toegestaan. Hierbij zal ik in ieder geval als voorwaarden stellen dat (i) de nieuwe fiscale eenheid met (de bij de juridische fusie verkregen Nederlandse onderneming van) de verkrijgende rechtspersoon alle dochtermaatschappijen uit de ontvoegde fiscale eenheid bevat en (ii) dat de juridische fusie fiscaal op de voet van artikel 14b Wet Vpb 1969 wordt begeleid.
Verzoeken tot een goedkeuring kunnen worden gestuurd naar Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek, Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Artikel 4
Latente liquidatieverliezen en latente stakingsverliezen van een bestaande fiscale eenheid
Onderdeel van Verzamelbesluit fiscale eenheid· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 26 april 2024