Met uitzondering van erfbelastingschulden zijn belastingschulden geen schulden in box 3 (artikel 5.3, derde lid, onderdelen c en d, van de Wet IB 2001). Een belastingplichtige kan de eventuele nadelige gevolgen van deze regel voor inkomstenbelastingschulden voorkomen door tijdig een verzoek voor een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte in te dienen en de aanslag voor de peildatum van box 3 te betalen.
Een verzoek of een aangifte is tijdig als:
het verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag acht weken voor het einde van het kalenderjaar schriftelijk of digitaal is ingediend, of
de aangifte dertien weken voor het einde van het kalenderjaar is ingediend.
Na het tijdig indienen van een verzoek of een aangifte kan het voorkomen dat verwerking door de inspecteur meer tijd in beslag neemt dan gebruikelijk is. De (nadere) voorlopige aanslag naar aanleiding van het verzoek of de aangifte kan dan op een zodanig tijdstip worden vastgesteld dat de belastingplichtige daardoor redelijkerwijs niet in staat is om nog voor de peildatum van box 3 te betalen.
Voor die situatie keur ik het volgende goed. Het bedrag dat op de niet tijdig opgelegde (nadere) voorlopige aanslag is betaald, behoort op de peildatum niet tot de waarde van de banktegoeden in box 3. Dat bedrag is gebaseerd op de volgens het verzoek of de aangifte op te leggen (nadere) voorlopige aanslag, maar bedraagt ten hoogste het bedrag dat uiteindelijk op de aanslag is verschuldigd.
Omdat belastingschulden niet in aanmerking worden genomen als schulden in box 3 en de betaling van de verschuldigde inkomstenbelasting altijd wordt voldaan vanuit banktegoeden, is voor een geslaagd beroep op de goedkeuring vereist dat op de betreffende peildatum (voldoende) banktegoeden aanwezig zijn.
De belastingplichtige kan de goedkeuring toepassen door in de aangifte inkomstenbelasting de waarde van de banktegoeden in box-3 op de peildatum te verminderen met (maximaal) het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting op grond van de (nadere) voorlopige aanslag. De vermindering mag er niet toe leiden dat de waarde van de banktegoeden op een negatief bedrag uitkomt.
Als de aanslag inkomstenbelasting over het betrokken kalenderjaar al is opgelegd, kan de inspecteur de goedkeuring op schriftelijk of digitaal verzoek van de belastingplichtige uitvoeren door een vermindering van de aanslag.
Met uitzondering van erfbelastingschulden zijn belastingschulden geen schulden in box 3 (artikel 5.3, derde lid, onderdelen c en d, van de Wet IB 2001). De belastingplichtige kan de eventuele nadelige gevolgen van deze regel voor schenkbelastingschulden voorkomen door gelijk na de schenking aangifte schenkbelasting te doen en de daaropvolgende (voorlopige) aanslag voor de peildatum van box 3 te betalen.
De Belastingdienst heeft minimaal acht weken nodig om een aangifte schenkbelasting te behandelen.
Het kan echter voorkomen dat een aangifte schenkbelasting ondanks dat die uiterlijk acht weken voor het eind van het kalenderjaar van schenking is ingediend, op een zodanig laat tijdstip wordt gevolgd door een (voorlopige) aanslag schenkbelasting dat de belastingplichtige daardoor redelijkerwijs niet in staat is om nog voor de peildatum van box 3 de verschuldigde schenkbelasting te betalen. Omdat de verschuldigde schenkbelasting op de peildatum nog tot de bezittingen in box 3 behoort, kan dit ertoe leiden dat belastingplichtigen inkomstenbelasting hierover moeten betalen. Ik vind het ongewenst dat vertragingen in de aanslagregeling schenkbelasting tot gevolg kunnen hebben dat belastingplichtigen meer inkomstenbelasting verschuldigd zijn.
Voor die situatie keur ik het volgende goed. Het bedrag van de niet tijdig opgelegde (voorlopige) aanslag schenkbelasting behoort op de peildatum niet tot de waarde van de banktegoeden in box 3.
Omdat belastingschulden niet in aanmerking worden genomen als schulden in box 3 en de betaling van de verschuldigde schenkbelasting altijd wordt voldaan vanuit banktegoeden, is voor een geslaagd beroep op de goedkeuring vereist dat op de betreffende peildatum (voldoende) banktegoeden aanwezig zijn.
De belastingplichtige kan deze goedkeuring toepassen door in het verzoek om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting dan wel de aangifte inkomstenbelasting de waarde van zijn banktegoeden in box 3 op de peildatum te verminderen met (maximaal) het bedrag van de verschuldigde schenkbelasting zoals dat uit de aangifte schenkbelasting volgt. Indien voor het doen van aangifte inkomstenbelasting inmiddels een voorlopige of definitieve aanslag schenkbelasting is opgelegd, moet worden uitgegaan van het bedrag van de verschuldigde schenkbelasting zoals dat uit de betreffende aanslag volgt. De vermindering mag er niet toe leiden dat de waarde van de banktegoeden op een negatief bedrag uitkomt.
Als de aanslag inkomstenbelasting over het betrokken kalenderjaar al is opgelegd, kan de inspecteur de goedkeuring op schriftelijk of digitaal verzoek van de belastingplichtige uitvoeren door een vermindering van de aanslag.
Het komt voor dat een belastingplichtige de eigendom van zijn eigen woning overdraagt en vervolgens na de jaarwisseling de eigendom van zijn nieuwe eigen woning verkrijgt. Dat kan gevolgen hebben voor box 3. Zie onderstaand voorbeeld ter verduidelijking.
De heer A verkoopt in 2022 zijn eigen woning en draagt de eigendom in datzelfde jaar over aan de koper. Na aflossing van zijn hypotheekschuld houdt de heer A een bedrag over. De heer A zet dit bedrag in 2022 op een spaarrekening en betrekt een huurhuis. In 2023 zegt de heer A de huur op en koopt een nieuwe eigen woning. Voor de financiering van deze nieuwe eigen woning haalt hij het bedrag van zijn spaarrekening.
Het bedrag dat de heer A op zijn spaarrekening heeft gezet, behoort tot de bezittingen in box 3 op de peildatum 1 januari 2023 (artikel 5.3, tweede lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001). Op 1 januari 2023 heeft de heer A namelijk een bezitting in box 3 en geen eigen woning. De wetgever heeft met de vermogensrendementsheffing (box 3) gekozen voor een robuust en eenvoudig uitvoerbaar systeem. In dat systeem maakt het niet uit wat de herkomst van een bezitting is of hoe lang de werkelijke bezitsperiode is en wordt het saldo van de bezittingen minus de schulden (de rendementsgrondslag) op de peildatum vastgesteld.
Artikel 2
De rendementsgrondslag
Onderdeel van Box 3-besluit· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 18 mei 2024