De netvrijstelling regelt dat de verkrijging van een net gelegen in, op of boven de grond, bestaande uit een of meer kabels en leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie, of van informatie is vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel y, WBR). Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot opname van de netvrijstelling in de WBR blijkt dat de begrenzing van wat onder het begrip ‘net’ valt, wordt afgebakend door de definitie ervan in sectorspecifieke wetten, zoals de Gaswet en de Elektriciteitswet.1Kamerstukken II 2005–2006, 30 306, nr. 3, p. 61. Uit deze definities kan worden afgeleid dat de grond waarin, waarop of waarboven het net is of wordt aangelegd niet tot het net behoort. Dit geldt eveneens voor een opstalrecht op die grond.
Om ervoor te zorgen dat de aanlegger van een net de eigendom ervan behield, was het tot 1 februari 2007 noodzakelijk om een recht van opstal op de grond te vestigen. Anders werd de eigenaar van de grond door natrekking ook eigenaar van het betreffende gedeelte van het net. De Belastingdienst heeft destijds het standpunt ingenomen dat de verkrijging van een recht van opstal voor het in eigendom verkrijgen van een leiding in de grond van een ander was vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel y, WBR (de netvrijstelling).2Een ruimere toepassing van de netvrijstelling gold niet voor de verkrijging van de eigendom van grond ten behoeve van behoud van het net door de aanlegger. Met de invoering per 1 februari 2007 van artikel 20, tweede lid, van Boek 5 BW is een horizontale splitsing geregeld tussen de eigendom van de grond en de eigendom van het net zelf.3Kamerstukken II 2005–2006, 29 834, nr. 9, p. 4. Op grond van deze bepaling berust de eigendom van een net bij de bevoegde aanlegger van het net of diens rechtsopvolger. Hierdoor is het voor de bevoegde aanlegger van een net niet meer van belang om een recht van opstal op de grond te verkrijgen. Hoewel het eerdergenoemde standpunt van de Belastingdienst daarmee was achterhaald, is gebleken dat de afgelopen jaren de netvrijstelling nog steeds op basis van dit standpunt – en dus te ruimhartig – is toegepast. Nu artikel 20, tweede lid, van Boek 5 BW de eigendom van een net loskoppelt van de eigendom van de grond, is het in strijd met doel en strekking van de netvrijstelling om deze nog langer toe te passen op beperkte rechten die betrekking hebben op de grond. Daarom vervalt de ruime uitleg van de netvrijstelling.
Van toepassing op verkrijgingen van opstalrechten die plaatsvinden
op of na 1 januari 2026.
WBR:Wet op belastingen van rechtsverkeer
BW:Burgerlijk Wetboek
AWR:Algemene wet inzake rijksbelastingen
Van toepassing op verkrijgingen van opstalrechten die plaatsvinden
op of na 1 januari 2026.
Van toepassing op verkrijgingen van opstalrechten die plaatsvinden
op of na 1 januari 2026.
Van toepassing op verkrijgingen van opstalrechten die plaatsvinden
op of na 1 januari 2026.
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Overdrachtsbelasting, intrekking ruime uitleg netvrijstelling· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 30 mei 2024