Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 februari 2025

In deze paragraaf wordt verstaan onder: AC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 zonder ingebouwde converter; OV-concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar busvervoer; DC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 met ingebouwde converter; duopaal: AC laadstation met twee laadpunten die gelijktijdig een vermogen vanaf 11 kW per laadpunt kunnen leveren; exploitant van laadinfrastructuur: onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden; hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken; laadpunt: laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van verordening 2023/1804; laadstation: laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804; MIA: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009; stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel