In deze paragraaf wordt verstaan onder:
AC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 zonder ingebouwde converter;
OV-concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar busvervoer;
DC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 met ingebouwde converter;
duopaal: AC laadstation met twee laadpunten die gelijktijdig een vermogen vanaf 11 kW per laadpunt kunnen leveren;
exploitant van laadinfrastructuur: onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden;
hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken;
laadpunt: laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van verordening 2023/1804;
laadstation: laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804;
MIA: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009;
stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 februari 2025