**1.** De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
**2.** De laadinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of
een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten.
**3.** De Minister kan in combinatie met de subsidie, bedoeld in het eerste lid, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt.
**4.** In afwijking van het derde lid geldt het maximum van 1.000 kWh niet indien de aanvrager OV-concessiehouder is.
**5.** De stationaire batterij, bedoeld in het derde lid, heeft een maximale hardwarematige C-waarde van 0,50, tenzij:
deze is geïntegreerd in het DC laadstation; of
de aanvrager OV-concessiehouder is.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.3
Subsidiabele activiteiten
Onderdeel van Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026