Naar hoofdinhoud

Artikel V

Strafbepalende factoren

Onderdeel van Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2024

Art. 240b (oud) en 252 (nieuw) Sr geven geen rangorde aan in strafwaardigheid van de in de strafbepaling genoemde handelingen die rondom kinderpornografie gepleegd kunnen worden. Er zijn wel wettelijke strafmaatverhogende omstandigheden die invloed hebben op het strafmaximum: 240b (oud) Sr 252 (nieuw) Sr Beroep of gewoonte 240b lid 2 Max. 8 jaar 254 lid 1 sub c + 3 jaar In vereniging 248 lid 1 + 1/3e 254 lid 1 sub a + 3 jaar Jegens zijn of aan hem toevertrouwd kind of kwetsbaar kind 248 lid 2 en 3 + 1/3e 254 lid 1 sub d jo. 245 lid 1 sub a en 245 lid 1 sub b) + 3 jaar Mogelijk bijkomende straffen zijn daarnaast ontzetting van rechten art. 251 lid 1 (oud) Sr / 254a lid 1 (nieuw) Sr en een beroepsverbod indien feit begaan is in uitoefening van dat beroep (art. 251 lid 2 (oud) Sr en 254a lid 2 (nieuw) Sr) De mate waarin de handelingen structureel en/of doelbewust zijn ondernomen, is een belangrijke factor bij het bepalen van de strafmaat. In beginsel zijn dit strafverzwarende omstandigheden. Hoe bewuster en structureler de strafbare feiten gepleegd zijn, des te groter is het verwijt aan verdachte dat hij een bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van het wereldwijde misbruik van kinderen. Dit geldt uiteraard in de sterkste mate in zaken waarin de verdachte voor het geleverd krijgen van het strafbare materiaal of het zelfs ’op bestelling’ laten vervaardigen ervan, een tegenprestatie heeft geleverd of ervoor heeft betaald. Deze omstandigheden zijn onder meer af te leiden uit de omgevingen waaruit het materiaal is verkregen of waarin het is verspreid, de tijd en moeite die verdachte in zijn activiteiten heeft gestoken, de (gestructureerde) wijze waarop het materiaal door verdachte bewaard is en de lengte van de pleegperiode. Dit zijn overigens ook de omstandigheden die kunnen leiden tot het strafmaatverhogende ‘gewoonte maken van’. Het uitsluitend voor eigen gebruik in bezit hebben van strafbaar materiaal, het verwerven ervan en het zich daartoe toegang verschaffen, kunnen in beginsel tot de “minder zware” handelingen gerekend worden. Het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal kan diverse handelingen omvatten. Van vervaardigen is al sprake als op geheel vrijwillige basis en binnen een relatie door minderjarigen erotische opnamen van elkaar worden gemaakt7Zie voor deze categorie zaken: Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten HALT; “Pubers in beeld”, OM-beleid bij door jongeren geproduceerde seksuele afbeeldingen van minderjarigen (“sexting”)., maar aan het andere eind van het spectrum bevinden zich de zaken waarin een verdachte zelf een (pleeg-, stief-, oppas-)kind seksueel misbruikt en daar beeldmateriaal van produceert. Voorts is sprake van het vervaardigen van kinderpornografie als een verdachte foto’s van kinderhoofdjes op pornografische foto’s (van volwassenen) plakt, realistische tekeningen of computeranimaties maakt, maar ook als (heimelijk) beeldmateriaal gemaakt wordt van (naakt) spelende kinderen, met een onmiskenbaar seksuele strekking. De Nederlandse verdachte die naar het buitenland reist om daar kinderen te misbruiken en die van dat misbruik visuele weergaven maakt, valt ook onder de categorie “vervaardigers”. Het verspreiden en aanbieden van kinderpornografie omvat ook vele varianten en daarmee ook verschillende strafeisen. Zo maakt iemand zich schuldig aan verspreiding door een (link naar een) enkel bestand per email of in een chatapp aan een ander persoon te sturen, maar ook door kinderpornografische bestanden op het internet, waaronder het Darkweb in een chat of op een forum te plaatsen. Onder verspreiden valt ook het zelf voor commerciële doeleinden een kinderpornografische website, chat of forum onderhouden of deze bestanden door het gebruik van P2P (“peer to peer”)-software aan anderen ter beschikking stellen. Het doelbewust op een openbare chat of forum plaatsen van erotische opnamen van een voor de verdachte bekend slachtoffer zal tot een hogere strafeis leiden dan het via P2Psoftware (“peer to peer”) verspreiden van grote hoeveelheden materiaal dat afkomstig is van commerciële websites. Het plaatsen van nieuw en zelf vervaardigd materiaal zal ook tot een hogere strafeis leiden dan het verspreiden van reeds bij de opsporing bekend materiaal. Bij het bepalen van de strafeis voor het verspreiden en aanbieden spelen derhalve met name de volgende factoren een rol: de hoeveelheid verspreide bestanden, het aantal (potentiële) afnemers, de aard van het materiaal en de schade die door de verspreiding (al dan niet doelbewust) aan slachtoffers is toegebracht. Het tonen van kinderpornografisch materiaal aan een minderjarige en zo het kind het idee geven dat dergelijke seksuele handelingen en relaties acceptabel zijn en het kind wellicht over te halen er zelf aan deel te nemen, is tevens een strafverzwarende omstandigheid8En tevens strafbaar op grond van art. 240a (oud) en 151e of 251 lid 1 sub b (nieuw) Sr.. Dit geldt ook voor beelden van seksuele handelingen door/met minderjarigen (al dan niet door de verdachte zelf geproduceerd), die gebruikt worden om de minderjarige onder druk te zetten, te bedreigen of te chanteren, bijvoorbeeld om de minderjarige te bewegen meer van dergelijke beelden (van zichzelf) te (laten) maken. Hoe jonger de kinderen op de visuele weergaven zijn, hoe strafwaardiger het over het algemeen is. Strafbepalend is ook de seksuele aard van de visuele weergave (was er sprake van strafbare feiten als seksuele handelingen of seksuele penetratie van het lichaam of bestaat het materiaal uit erotisch poserende minderjarigen of erotiserend gebruikte houdingen van de minderjarige?) en – voor zover is of kan worden vastgesteld – de schade die hierdoor aan de minderjarige is toegebracht, ook in samenhang met de leeftijd van het kind. Het “slechts poseren” (al dan niet “vrijwillig”) door een minderjarige in de puberleeftijd is niet per definitie minder schadelijk dan bijvoorbeeld het plegen van ontuchtige handelingen met een kind in de peuter- of babyleeftijd. Met name als “poseermateriaal” openbaar of voor de omgeving van het (via internet) vindbaar verspreid is en derhalve nooit meer uit de samenleving is te halen, kan de impact en de schade daarvan aan de betrokken minderjarige bijzonder groot zijn. Bovendien is aan de visuele weergave(n) zelf niet altijd te zien in welke schadelijke omstandigheden de kinderen verkeerden toen deze gemaakt werd(en). Belangrijk is dan ook de mate waarin de verdachte de schade aan het misbruikte kind voor lief heeft genomen, juist een voorkeur heeft voor een bepaalde vorm van misbruik, zoals bijvoorbeeld extreem sadistisch materiaal (hurtcore), of leeftijd van de slachtoffers, of de schade aan het slachtoffer zelf veroorzaakt heeft. In dit verband dient opgemerkt te worden dat het feit dat in een zaak sprake is van zogenaamd virtueel materiaal, niet automatisch betekent dat dat tot een lagere strafeis dient te leiden dan in zaken waarin sprake is van materiaal van een echt kind. Veel van het virtuele materiaal dat in omloop is geeft de aanschouwer ervan de indruk dat het afgebeelde misbruik acceptabel is, dat minderjarigen het ook als prettig ervaren, of kan als “lesmateriaal” beschouwd worden. Bovendien kan niet worden uitgesloten (bijvoorbeeld door deepfake technieken) of staat soms zelfs vast dat bij de vervaardiging ervan toch een echt kind betrokken was. Er bestaat nog een andere vorm van virtueel materiaal: materiaal dat tot stand gekomen is door het combineren van niet kinderpornografische foto’s van kinderen met ander pornografisch materiaal. Vaak worden hiervoor foto’s van aan verdachte bekende kinderen gebruikt.9Zie bijvoorbeeld het arrest van Gerechtshof Amsterdam, 4 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:647 Virtuele kinderpornografie is daarom niet per definitie minder schadelijk dan “echt” film- of fotomateriaal. Ook hier speelt bij het bepalen van de strafeis weer de combinatie met bovengenoemde factoren: indien de verdachte het virtuele materiaal gebruikt heeft om of het in bezit/vervaardigd heeft met als doel kinderen te verleiden tot het deelnemen aan seksuele handelingen of om een slachtoffer al dan niet doelbewust schade toe te brengen door publicatie ervan, dan geldt dat als een strafverzwarende omstandigheid. Voor het verwerven, bezitten of zich toegang verschaffen is ook de herkomst van de visuele weergaven bepalend voor de straf. Het werkt strafverhogend als een verdachte het materiaal op bestelling heeft laten vervaardigen, voor het ter beschikking krijgen ervan een tegenprestatie heeft geleverd of heeft betaald. Dit geldt ook als een verdachte zich begeven heeft in (internet-)omgevingen waarin het kenbaar was dat daar kinderpornografisch materiaal verkrijgbaar was, waar voor de toegang ertoe aan bepaalde eisen moest worden voldaan (bijv. het eerst zelf leveren van een bepaalde hoeveelheid strafbaar materiaal) of waarvoor de verdachte zich heeft moeten bedienen van codes, wachtwoorden, encryptie of anderszins beveiligde bestanden of omgevingen, zoals het Darkweb. Hoe meer moeite verdachte heeft gedaan om aan het materiaal te komen en hoe meer hij zich met duidelijk kenbare strafbare omgevingen en personen heeft ingelaten, des te hoger zal de strafeis zijn. Ook de tijd en moeite die verdachte in zijn activiteiten heeft gestoken, de (gestructureerde) wijze waarop hij het materiaal bewaard heeft en de lengte van de pleegperiode kunnen strafverhogend werken. Ook voor het aanbieden en verspreiden van materiaal zijn deze factoren met betrekking tot de locatie waar het materiaal terecht komt bepalend voor de straf (openbare, niet als kinderpornografisch kenbare omgeving tegenover een omgeving waarvoor toegangseisen gelden of waarvan kenbaar is dat er strafbaar materiaal verkrijgbaar is). De samenhang met de aard van de visuele weergaven, de aan het slachtoffer door de verspreiding berokkende schade en het motief van de verdachte voor de verspreiding dient daarin te worden meegewogen. Gelet op de ontwikkelingen op digitaal en internetgebied en het relatieve gemak waarmee tegenwoordig in korte tijd bijzonder grote aantallen kinderpornografisch materiaal kunnen worden gedownload, gekopieerd, opgeslagen en bewaard, is het aantal bij een verdachte in bezit zijnde visuele weergaven niet een factor die de hoogte van de strafmaat in belangrijke mate bepaalt. Het aantal visuele weergaven kan wel iets zeggen over de mate van bewustheid, intensiteit of lange duur waarin de verdachte met het strafbare materiaal bezig is geweest. In die zin speelt het aantal visuele weergaven zeker een rol bij het beoordelen van de zaak. In de basisdelicten is daarom een variant opgenomen indien “slechts” sprake was van een geringe hoeveelheid visuele weergaven. Ook belangrijk is de relatie tussen het aantal (en soort) visuele weergaven en de bron/”vindplaats” hiervan: er zijn bijvoorbeeld openbaar toegankelijke internetomgevingen waarin bijvoorbeeld afbeeldingen in grote series of verzamelingen van relatief “lichter” kaliber te downloaden zijn, terwijl de verdachte die specifiek geïnteresseerd is in zwaarder of recenter misbruikmateriaal binnen meer besloten en minder toegankelijke omgevingen moet opereren en wellicht een kleinere collectie opbouwt. Een “grote” of een “kleine” collectie is bij de bepaling van de strafwaardigheid van het gedrag dan ook een relatief begrip. Strafbare feiten gepleegd over een langere periode (langer dan drie maanden), dienen zwaarder aangerekend te worden dan een enkel feit of een feit dat enkele malen in een kortere periode (minder dan drie maanden) is gepleegd. In beide gevallen kan sprake zijn van het strafverhogende “maken van een beroep of gewoonte” van het plegen van kinderpornografie-delicten.10Art. 240b lid 2 (oud) en 254 lid 1 sub c (nieuw) Sr. Indien sprake is van eenmalige recidive van een soortgelijk (kinderpornografie-)feit, vindt verhoging van 25% ten opzichte van de eis van het basisdelict plaats. Verhoging van deze eis met 50% is aan de orde in zaken waarin sprake is van meermalen recidive van soortgelijke feiten, van andersoortige, ernstiger feiten of van feiten die gepleegd zijn na de laatste veroordeling en tijdens de proeftijd van het voorwaardelijk strafdeel van die veroordeling. Met name het in herhaling vallen tijdens de eerder opgelegde reclasseringsbegeleiding of gedragskundige behandeling, gericht op het juist voorkómen van deze recidive, is een strafverzwarende omstandigheid. Indien er sprake is van ernstige recidive bij het handelen uit beroep of gewoonte is de verhoging 100%.11Zie voor ernstige recidive bij zware delicten paragraaf 5 van de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn belangrijke strafbepalende factoren. Bepalend kan zijn of aannemelijk is dat verdachte inzicht heeft verkregen in zijn strafbaar handelen of zijn problematiek en ook daadwerkelijk bereid of begonnen is daar iets aan te doen. Zo kan hij hulpverlening hebben gezocht, van baan/hobby veranderd zijn indien sprake was van een baan/hobby waar contact met kinderen een onderdeel van is of openheid van zaken aan zijn directe omgeving hebben gegeven. Daarnaast kunnen feiten spelen als het verlies van een baan, vrijetijdsbesteding/hobby, omgangsrecht met kinderen of woning. Een eventueel reeds ingezet begeleidings- of behandel-traject kan over het algemeen worden ingepast in een detentiestraf en is dus niet zonder meer een contra-indicatie daarvoor. Strafbare feiten gepleegd in georganiseerd verband dienen zwaarder aangerekend te worden dan wanneer een verdachte alleen handelt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel