Verstoring van etherfrequenties kan ernstige gevolgen hebben. Er kan sprake zijn van gevaarzetting, ernstige hinder of (grote) economische schade. De ernst van de overtreding is afhankelijk van het soort radioapparaat en de daarmee gebruikte frequentieruimte. In het proces-verbaal van bevindingen van de opsporingsambtenaar wordt aangegeven op welke frequentie(s) de verboden apparatuur stoort en of deze frequentie(s) van vitaal belang is (zijn). Verstoring van frequenties die gebruikt worden door de politie voor openbare-orde-doeleinden en (staats)veiligheidsdoeleinden, door hulpverleningsdiensten, lucht- en scheepvaartverkeersbegeleiding, defensie, publieke alarmdiensten kan ernstige gevolgen hebben voor de veiligheid in de samenleving. In voorkomende gevallen geldt dat ook voor verstoring van mobiele telefonie en radio uitzendingen. Bij radiouitzendingen kan bijvoorbeeld sprake zijn van verstoring van de calamiteitenzenders. In het proces-verbaal worden zo mogelijk ook concrete storingsmeldingen genoemd die veroorzaakt worden door de uitzendingen van de overtreder.
De RDI hanteert een prioritering ten aanzien van storingsmeldingen en de ernst daarvan. Er wordt onderscheid gemaakt in storingsmeldingen met Prio 1, 2 en 46Er is aansluiting gezocht bij de storingsmeldingsprocedure van de RDI, die uitgaat van prio 1, 2 en 4..
De meest ernstige categorie (Prio 1) betreft storingen van netwerken of infrastructuur waarbij geen gebruik kan worden gemaakt van alternatieve frequenties of alternatieve communicatiemogelijkheden. Bijvoorbeeld:
vitale overheidsinfrastructuur (zoals: C2000, P2000);
continuïteit van vitale netwerken (internet knooppunten, mobiele telefonie);
frequentieverkeer ten behoeve van vitale processen (luchtverkeersbegeleiding, essentiële scheepvaartcommunicatie),
storingen van calamiteitenzenders;
storingen die een levensbedreigende situatie kunnen veroorzaken;
storingen die grote economische schade kunnen veroorzaken (meer dan 250 personen worden gedupeerd of het gaat om grote schade (> € 100.000)) of die de continuïteit van een bedrijf bij het voortduren van de storing in gevaar brengen.
Bij Prio 1- storingen volgt in beginsel de inbeslagneming van de radioapparaten en strafrechtelijke vervolging. Dit geldt ook wanneer een Prio 1-storing wordt veroorzaakt door legale apparatuur en/of er met een vergunning of registratie van de RDI wordt uitgezonden. Bij elke Prio 1-storing moet onverwijld kunnen worden opgetreden en het bestuurlijk instrumentarium is dan ontoereikend.
Prio 2- storingen zijn storingen die economische schade veroorzaken, maar niet levensbedreigend zijn of anderszins tot Prio 1-storingen behoren. Onder Prio 4- storingen vallen de overige storingen. De Prio 2- en Prio 4- storingen worden doorgaans bestuursrechtelijk afgedaan. In alle gevallen kunnen wel strafrechtelijke handhavingsmiddelen als inbeslagneming of binnentreden van een woning worden ingezet.
In het Nationaal Frequentieplan (NFP) zijn bepaalde frequenties bestemd voor radioomroep. Voor het uitzenden van omroepprogramma’s is een vergunning voor het gebruik van een bepaalde frequentie vereist. Overtreders plegen “illegale omroep”: zij zenden doelbewust uit op frequenties in de omroepband zonder dat daarvoor een vergunning is afgegeven. Deze omschrijving omvat elk illegaal gebruik van omroepfrequenties.
Bij vergunninghouders voor publieke of commerciële omroep, die bepalingen van hun vergunning overtreden, is ander beleid van toepassing.7In een dergelijk geval gaat het om onjuist gebruik van omroepfrequenties. Overtreders die geen vergunning voor publieke of commerciële omroep hebben maken illegaal gebruik van omroepfrequenties. Dergelijke overtredingen worden in alle gevallen bestuursrechtelijk afgedaan.
Illegale omroep vindt zowel plaats vanaf percelen die in eigendom zijn van of gehuurd worden door degenen die illegaal uitzenden, als – veelal in groepsverband – vanaf andermans of openbare grond. Een bekende werkwijze van overtreders is het uitzenden met antennes geplaatst op bestaande opstelpunten van bijvoorbeeld mobiele operators of omroepen, hoogspanningsmasten en bomen. Daarbij worden ook mobiele en/of tijdelijke antenne-installaties gebruikt, waarbij de uitzendlocatie regelmatig wordt gewijzigd om de pakkans te verkleinen. Het komt ook voor dat er kranen worden gehuurd, waarin de antennes worden opgehangen. Deze laatste uitzendingen zijn doorgaans onbemand en worden op afstand aangestuurd.
Degene die anderen verwijtbaar gelegenheid geeft om uit te zenden vanaf zijn grond, kan als medepleger of medeplichtige worden vervolgd. Dit geldt ook voor degene die een studio heeft ingericht vanwaar de illegale uitzending wordt gemaakt voor uitzending door een antennemast op een ander grondgebied. Hetzelfde geldt voor degene die de kraan of mast ter beschikking stelt indien hij wist dat de kraan of mast als antenne-installatie voor illegaal uitzenden zou worden gebruikt.
Wanneer in groepsverband een illegale uitzending wordt gepleegd, is het van belang dat niet alleen proces-verbaal wordt opgemaakt tegen degene “achter de knoppen” maar ook tegen andere betrokkenen. Zo veel mogelijk wordt beschreven wie hebben bijgedragen aan de illegale uitzending of deze mede mogelijk hebben gemaakt in de zin van het beschikbaar stellen van materiaal, geld, generatoren, zenders, antennemasten, kraan en dergelijke.
Bij illegale omroep wordt in beginsel bestuursrechtelijk gehandhaafd. Het bestuursrechtelijke sanctiebeleid bestaat uit direct beboeten en opleggen van een last onder dwangsom. Afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding bedraagt de maximale boete € 15.000.
illegale omroep kan strafrechtelijk worden vervolgd wanneer:
sprake is van een Prio 1-storing; of
de bestuursrechtelijke aanpak niet effectief is gebleken; of
er sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde, maar het geen Prio 1-storing betreft.
Frequenties in de FM-omroepband zijn dermate schaars, zorgvuldig gepland en met de omringende landen gecoördineerd, en deze band is zo “vol”, dat elke illegale uitzending in deze band storing op de geplande frequenties veroorzaakt. Wanneer strafrechtelijk wordt opgetreden tegen het illegaal uitzenden op omroepfrequenties wordt in ieder geval het radioapparaat en de toebehoren in beslag genomen.
De richteisen voor illegaal gebruik van omroepfrequenties zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet, basisdelict 1.
Illegaal gebruik van deze frequenties veroorzaakt veelal overlast en hinder. Het gaat hierbij om het gebruik van bijvoorbeeld een marifoon of portofoon voor maritieme radiocommunicatie, waarvoor een registratie vereist is op grond van de Regeling gebruik frequentieruimte met meldingsplicht 2015, maar niet is verleend. Het kan ook gaan om radioapparaten voor gebruik door radiozendamateurs8Radiozendamateurs kunnen op basis van een examen een registratie van de RDI verkrijgen. waarvoor een registratie op grond van genoemde Regeling vereist is. Tot slot kan het ook gaan om landmobiele radiocommunicatie (met gebruik van portofoons en mobilofoons) waarvoor op grond van de Tw een vergunning respectievelijk voor publieke taken een aanwijzing is vereist. Indien er zonder vergunning respectievelijk aanwijzing wordt uitgezonden, is sprake van illegaal frequentiegebruik. Als overtreding kan tevens worden aangemerkt het (moedwillig) onjuist gebruik van deze apparaten, dat kan leiden tot een gevaarlijke situatie, bijvoorbeeld een verstoring van de maritieme communicatie via een marifoon die het nood-, spoed- of veiligheidskanaal bezet houdt. Ook bij verstoring van landmobiele communicatie kan dit ertoe leiden dat apparatuur die juist is bedoeld om bij incidenten of crisissituaties de noodcommunicatie te verzorgen, niet goed (meer) werkt. Doordat de storingen onverwachts plaatsvinden, kan bovendien de continuïteit van de bedrijfsprocessen en de veiligheid in het geding komen.
Deze overtredingen worden in beginsel bestuursrechtelijk gehandhaafd. Tegen illegaal gebruik van overige frequenties wordt strafrechtelijk opgetreden als sprake is van een Prio 1-melding ten gevolge van de verstoring.
Het bestuursrechtelijke sanctiebeleid bij illegaal gebruik bestaat in beginsel uit het opleggen van boetes, soms in combinatie met (een) last(en) onder dwangsom. In sommige (niet-ernstige) gevallen wordt gewaarschuwd. Bij onjuist gebruik van frequentieruimte kan, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, een last onder dwangsom worden opgelegd of gewaarschuwd worden.
De richteisen voor illegaal gebruik van deze frequenties zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet, basisdelict 2.
Een jammer is een radioapparaat dat tot doel heeft de werking van andere radioapparaten te verstoren.9Jammers moeten worden onderscheiden van radioapparaten die onbedoeld kunnen storen op de juiste werking van andere radioapparaten, zoals een geïmporteerde babyfoon die is afgesteld op een in Nederland niet toegestane, maar in het buitenland gangbare frequentie. Het gebruik van een jammer kan ernstige gevolgen hebben voor het functioneren van (openbare) telecommunicatiediensten en netwerken. Verstoring van openbare telecommunicatiediensten en -netwerken kan instanties, bedrijven en systemen die in de uitoefening van hun publieke taak of commerciële activiteiten afhankelijk zijn van de werking van deze infrastructuren, (ernstig) benadelen. Dat kan gevaarlijke situaties opleveren in de luchtvaart, bij de hulpverlening, bij de handhaving van de openbare orde, enzovoort. Daarnaast kan grote economische, fysieke en sociale impact worden veroorzaakt wanneer niet-openbare netwerken via de ether worden verstoord, zoals het geval is bij de verstoring van lokale draadloze netwerken (radiolan).
Enkele voorbeelden van soorten jammers zijn:
GPS-jammers, ook wel “blockers” genoemd, zijn apparaten die speciaal zijn ontworpen om het GPS-verkeer in de banden voor radioplaatsbepaling en radionavigatie (1215-1300 MHz, 1300-1350 MHz en 1559-1610 MHz) geheel onmogelijk te maken. Deze apparaten belemmeren ernstig de GPS-ontvangst door het uitzenden van een breedbandig stoorsignaal. De GPS ontvangst is immers noodzakelijk voor onder meer alle navigatiesystemen, alsmede voor tracering van voertuigen. Tevens maakt nood-, spoed- en veiligheidsverkeer gebruik van deze signalen.
Mobiele-communicatie-jammers zijn apparaten die speciaal zijn ontworpen om hoofdzakelijk het mobiele communicatieverkeer in de betreffende frequentiebanden in zijn directe omgeving geheel onmogelijk te maken. Deze apparaten blokkeren het mobiele communicatieverkeer door het uitzenden van een breedbandig stoorsignaal. Hierdoor is geen spraak- of dataverkeer in de omgeving van de jammer mogelijk.
Het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben10Het "aangelegd aanwezig hebben" uit artikel 10.15 Tw wordt ruim geïnterpreteerd. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarbij in de omgeving van het radioapparaat een geschikte antenne aanwezig is of andere hulpmiddelen die noodzakelijk zijn om het radioapparaat met een betrekkelijk simpele handeling in gebruik te nemen. De intentie van de houder is er dan immers op gericht om het radioapparaat te gebruiken. Van "aangelegd aanwezig hebben" zal in feite alleen dan geen sprake zijn, indien het radioapparaat in verpakte toestand aanwezig is of uit andere omstandigheden blijkt of kan worden aangetoond dat de intentie van gebruik niet aanwezig is. en het gebruik van een jammer is in strijd met de Tw. Deze radioapparaten kunnen niet voldoen aan hoofdstuk 10 Tw, de EMC- en de RED-richtlijn. Deze apparaten mogen daarom ook niet voorzien zijn van de in de richtlijnen verplicht gestelde CE-markering. Daarmee zijn jammers vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Het gebruik van een jammer kan een criminele bedoeling hebben. Hier zijn talrijke voorbeelden van. Jammers worden door criminelen ingezet, bijvoorbeeld om waarschuwingssystemen plat te leggen, tracering van geldwagens onmogelijk te maken of gestolen vrachtwagens onzichtbaar te maken voor Track & Trace systemen. Jammers worden ook ingezet door bijvoorbeeld hotelketens om klanten te dwingen via de (duurdere) vaste telefoon te laten bellen, of door cafés en restaurants om de gepercipieerde hinder van telefonerende gasten te beperken. De gevolgen van het gebruik van een jammer zijn in dit soort gevallen niet minder ernstig, omdat ook in deze gevallen vitale systemen kunnen worden gestoord.
Het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben of het gebruik van een jammer is een overtreding van artikel 10.15 Tw. In de artt. 161sexies, 350c en 350d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn de diverse gedragingen met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben of het gebruik van een jammer strafbaar gesteld. Wanneer een jammer opzettelijk wordt ingezet om opsporingshandelingen te beletten, belemmeren of verijdelen kan ook vervolgd worden op grond van art. 184 Sr.
Het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben en het gebruik van een jammer wordt in alle gevallen strafrechtelijk gehandhaafd. Een jammer wordt in alle gevallen in beslag genomen ter onttrekking aan het verkeer.
Bij het gebruik van een jammer om een misdrijf mogelijk te maken, is sprake van opzettelijk handelen. Dit betekent dat hiervoor een strafmaximum van 6 jaar gevangenisstraf geldt (zie hiervoor onder § 1.1.4). Indien een jammer opzettelijk wordt gebruikt, betreft dit gebruik een feit als bedoeld in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, waardoor diverse dwangmiddelen kunnen worden toegepast, zoals aanhouding buiten heterdaad, inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Ook de inzet van diverse buitengewone opsporingsbevoegdheden behoort hierdoor in beginsel tot de mogelijkheden.
Bij het aantreffen van een jammer, kennelijk bestemd om de opsporing te beletten, te belemmeren of te verijdelen, bijvoorbeeld wanneer een onderzoekssubject tracht hiermee een mogelijk GPS-baken aan zijn voertuig te verstoren, kan de verdachte daarbij subsidiair artikel 184 Sr ten laste worden gelegd.
Bij het aantreffen van jammers bestemd voor de handel kan (naast de strafrechtelijke aanpak) onder omstandigheden ook bestuursrechtelijk worden opgetreden. De RDI kan een last onder dwangsom opleggen aan degene die de radioapparaten in de handel brengt of verhandelt.
De richteisen voor het aanleggen, geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben en/of het gebruik van een jammer zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet, basisdelict 3.
Uitrusting en radioapparaten die niet voldoen aan de (technische) essentiële eisen dan wel waarbij markeringen of documenten ontbreken kunnen ernstige storing van de etherorde veroorzaken. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer deze niet geschikt zijn voor een juiste werking op de Europese markt. Het in de handel brengen van dit soort apparaten, vaak in grote partijen, is vanwege artikel 10.1 jo. 10.9 Tw verboden. Doorgaans gaat het om partijen (goedkope) elektronische en elektrische apparaten die onveilig zijn of ernstige storingen veroorzaken. Handel in deze apparaten wordt meestal getraceerd via de detailhandel naar de importeur/fabrikant.
Het in de handel brengen of verhandelen van uitrusting en radioapparaten die niet voldoen aan de administratieve eisen wordt in beginsel bestuursrechtelijk gehandhaafd.
De RDI kan een bestuurlijke boete en/of een last onder dwangsom opleggen aan degene die de uitrusting en radioapparaten in de handel brengt of verhandelt. Tevens kan via bestuursdwang een verkoopverbod worden uitgevaardigd.
De richteisen voor het in de handel brengen van uitrusting en radioapparaten die niet aan de eisen voldoen, zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet, basisdelict 4.
Daarnaast kunnen uitrusting en apparaten die niet voldoen aan de (technische) essentiële eisen en een ernstige storing van de etherorde kunnen veroorzaken, ter onttrekking aan het verkeer in beslag worden genomen op grond van art. 36c onder 2 Sr jo art. 10.1 Tw. Dit is aan de orde indien strafrechtelijk ingrijpen (mede) geïndiceerd lijkt en is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van de casus.
Tevens worden uitrusting en radioapparaten in beslag genomen ter onttrekking aan het verkeer indien het gaat om gevallen waarin strafrechtelijk gehandhaafd wordt (bijvoorbeeld omdat bestuursrechtelijke handhaving niet voldoende effectief is). De marktdeelnemer heeft dan in het bestuursrechtelijk traject al voldoende kansen gehad de problemen met de uitrusting en radioapparaten op te lossen, maar werkt hier niet of onvoldoende aan mee.
Voor het gebruik van (onder andere) mobiele telefoons, draadloze modems, draadloze microfoons, babyfoons, apparaten met modelbesturing en 27 MHz-apparatuur is geen vergunning vereist, mits deze radioapparaten voldoen aan de criteria gesteld in artikel 3.9 van de Tw en de daarop gebaseerde Regeling gebruik van frequentieruimte zonder vergunning en zonder meldingsplicht 2015. Deze criteria hebben doorgaans betrekking op technische beperkingen waaronder deze apparaten zonder vergunning mogen werken. Hierbij kan gedacht worden aan de frequentie waarop het apparaat dient te werken en het vermogen van het apparaat.
Het aanleggen, het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben en/of het gebruik van een radioapparaat dat op een verkeerde frequentie werkt en/of een onjuist vermogen heeft is, zonder vergunning, verboden op grond van artikel 10.15, eerste lid Tw.
Doorgaans worden overtredingen bestuursrechtelijk gehandhaafd. Bij een Prio 1 storing ten gevolge van de aanleg of het gebruik van vergunning vrije apparatuur is strafrechtelijke handhaving aan de orde. Twee situaties dienen hierbij te worden onderscheiden. Als de apparatuur aan de eisen voldoet, maar de gebruiker gebruikt teveel vermogen of stelt de apparatuur op de verkeerde frequentie in, dan is verbeurdverklaring van de apparatuur aangewezen. Indien de apparatuur zelf niet voldoet en met teveel vermogen uitzendt of op de verkeerde frequentie dan is onttrekking aan het verkeer aangewezen. Dergelijke apparatuur moet van de markt worden geweerd.
De richteisen voor het bezit en/of gebruik van radioapparaten met verkeerde frequentie en/of onjuist vermogen, zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet, basisdelict 5.
Artikel 2
Opsporing en vervolging
Onderdeel van Aanwijzing handhaving Telecommunicatiewet (hoofdstukken 3 en 10)· Informatierecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2024