Aan het bestuur van de toelatingsorganisatie wordt mandaat en machtiging verleend om namens de minister de volgende bevoegdheden uit te oefenen en de taken uit te voeren:
het aanwijzen van een instituut, schorsen of intrekken van deze aanwijzing, bedoeld in de artikelen 1, onder g, en artikel 3, vijfde lid;
het stellen van voorwaarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
het aanwijzen, schorsen of intrekken van een beoordelingsrichtlijn als bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid;
het beoordelen, erkennen, schorsen of intrekken van kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 3, tweede en vierde lid;
het vaststellen en bekendmaken van het aanwijzingskader als bedoeld in artikel 3, zesde lid;
het bijhouden en zorgdragen voor de bekendmaking van de aangewezen beoordelingsrichtlijnen, aangewezen instituten en erkende kwaliteitsverklaringen, bedoeld in artikel 4; en
het innen van een vergoeding en het bekend maken van de tarieven als bedoeld in artikel 5.