In het besluit van 23 september 2004, nr. IFZ2004/764M, was ten aanzien van de inkomensafhankelijke heffingskortingen het standpunt ingenomen dat die heffingskortingen ook belastingvoordelen zijn waardoor het vrijgesteld inkomen in aanmerking mag worden genomen bij de berekening van de heffingskortingen.
In 2019 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de algemene heffingskorting deel uitmaakt van de tariefstructuur en het rekening houden met het vrijgestelde inkomen neerkomt op indirecte heffing over dat vrijgestelde inkomen.7HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1221. Afbouw van de algemene heffingskorting aan de hand van het vrijgestelde inkomen is daarom volgens de Hoge Raad niet toegestaan.
Recentelijk heeft Gerechtshof Den Haag8Gerechtshof Den Haag 9 april 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:828. ten aanzien van de ouderenkorting geoordeeld dat deze ook deel uitmaakt van de tariefstructuur. Ook afbouw van de ouderenkorting aan de hand van het vrijgestelde inkomen is daarom niet toegestaan volgens het Gerechtshof. In deze uitspraak heb ik berust.
Op basis van de hiervoor genoemde jurisprudentie concludeer ik dat dit oordeel ook geldt voor de andere heffingskortingen. Dat leidt tot de conclusie dat het bij de berekening van geen enkele heffingskorting is toegestaan het vrijgesteld inkomen in aanmerking te nemen. Wellicht ten overvloede merk ik op dat deze conclusie niet alleen ziet op gevallen waarin het in aanmerking nemen van het vrijgesteld inkomen tot een lagere heffingskorting leidt. Ook in gevallen waarin het meenemen van het vrijgesteld inkomen leidt tot een hogere heffingskorting blijft dat inkomen buiten beschouwing. Het eerder in het besluit van 23 september 2004, nr. IFZ2004/764M, ingenomen standpunt wordt dan ook verlaten. Dit geldt zowel voor het belastingdeel9Op grond van artikel 8.3 Wet IB 2001. als voor de premiedelen10Op grond van artikelen 8.4 Wet IB 2001, 8.5 Wet IB 2001 en 8.6 Wet IB 2001. van de heffingskortingen.
Het hiervóór beschreven herziene standpunt geldt echter niet voor de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner. 11Artikel 8.9 Wet IB 2001 en Artikel 8.9a Wet IB 2001. Overeenkomstig het eerdere oordeel van de Hoge Raad12HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0466 ten aanzien van de voorganger van de uitbetaling algemene heffingskorting minstverdienende partner onder de Wet IB 1964., blijft gelden dat het vrijgesteld inkomen wel in aanmerking genomen dient te worden genomen bij de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner is namelijk geen onderdeel van de standaardheffingskorting en maakt geen onderdeel uit van de tariefstructuur, maar is naar mijn mening een belastingvoordeel zoals hiervoor in onderdeel 4 besproken. Het past ook niet bij doel en strekking van die uitbetaling om het vrijgesteld inkomen buiten beschouwing te laten. Uit artikel 8.9, tweede lid 2, Wet IB 2001 volgt dat de verhoging van de gecombineerde heffingskorting wordt verlaagd met het bedrag van de belastingvermindering volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting. Tot deze belastingvermindering behoort ook de inkomstenbelasting die geheven zou zijn indien het vrijgesteld inkomen wel regulier in de heffing was betrokken.
Het herziene standpunt heeft tot gevolg dat het vrijgesteld inkomen ook buiten beschouwing blijft bij de beoordeling of recht bestaat op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Dat kan ertoe leiden dat een feitelijk minstverdienende partner, die wel regulier belastbaar arbeidsinkomen geniet, niet in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat de meestverdienende partner vrijgestelde inkomsten van een internationale organisatie geniet.
Dit gevolg acht ik niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Daarom keur ik het volgende goed met toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule).
Ik keur goed dat voor de beoordeling of de partner (in de zin van de inkomensafhankelijke combinatiekorting) van een functionaris van een internationale organisatie recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het vrijgesteld inkomen van die internationale organisatie in die beoordeling wordt betrokken.
Een functionaris van een internationale organisatie geniet een (vrijgesteld) arbeidsinkomen van € 75.000 per jaar. Diens partner geniet een Nederlands arbeidsinkomen van € 50.000 per jaar. Op grond van de goedkeuring wordt de partner als minstverdienende partner aangemerkt in de zin van artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, en kan deze (indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan) aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Artikel 5
Heffingskortingen
Onderdeel van Besluit fiscale behandeling functionarissen van internationale organisaties en diplomaten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 22 oktober 2024