Naar hoofdinhoud
1. Aan de inspecteur-generaal wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de aan de minister toekomende bevoegdheden tot handhaving als bedoeld in artikel 93a, derde lid, 93c en artikel 120b van de Woningwet en artikel 18.4 en 18.12,van de Omgevingswet, van overtredingen voortvloeiend uit de verordening bouwproducten, de verordening bouwproducten 2024, de verordening markttoezicht en de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen. 2. Aan de inspecteur-generaal wordt volmacht verleend voor het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen en van gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze verband houden met de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid. 3. Het op grond van dit besluit verleende mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel