Door de Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten is het heffingsmoment bij aan werknemers toegekende aandelenoptierechten in beginsel niet langer het moment van uitoefening van de aandelenoptierechten maar, als dat moment later is gelegen, het moment waarop de betreffende aandelen verhandelbaar worden.
Bepalend voor de heffing is niet de waarde in het economische verkeer van de aandelenoptierechten op het moment van uitoefenen, maar de waarde in het economische verkeer op het moment van verhandelbaar worden. Voordelen die tussen het moment van uitoefening van de aandelenoptierechten en het verhandelbaar worden van de aandelen worden genoten worden tot het loon gerekend.
Een werknemer kan echter opteren voor heffing op het moment van uitoefening van de aandelenoptierechten ook al zijn de aandelenoptierechten op dat moment nog niet verhandelbaar. In dat geval worden de na dat moment genoten voordelen uit de aandelen, zoals dividend en een toename van de waarde in het economische verkeer, niet tot het loon gerekend.
Wanneer het heffingsmoment valt op het later gelegen moment van verhandelbaar worden moet in grensoverschrijdende situaties onderscheid gemaakt worden tussen twee perioden en de daarop van toepassing zijnde bepalingen uit regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.
Periode 1 is de periode voorafgaand aan het uitoefenen van de aandelenoptierechten. Voordelen uit deze periode worden in internationaal verband geacht te worden genoten als werknemer en verband te houden met verrichte of te verrichten werkzaamheden.
Het voordeel dat aan deze periode kan worden toegerekend is gelijk aan het genoten voordeel wanneer de uitgeoefende aandelenoptierechten direct verhandelbaar zouden zijn.
Periode 2 betreft de periode tussen het uitoefenen van de aandelenoptierechten en het verhandelbaar worden van de betreffende aandelen. Voordelen uit deze periode worden in internationaal verband in de regel geacht te worden genoten als aandeelhouder en geen verband te houden met verrichte of te verrichten werkzaamheden.
Het voordeel dat aan deze periode kan worden toegerekend omvat de in deze periode genoten voordelen zoals dividend, evenals de waardestijging in het economische verkeer in deze periode.
Voor de volledigheid merk ik op dat wanneer het heffingsmoment is gelegen op het moment van uitoefening van de aandelenoptierechten, al dan niet door keuze daarvoor door de werknemer, alleen periode 1 van belang is voor de Wet LB 1964.
Artikel 4
Gevolgen Wet aanpassing fiscale regeling aandelenoptierechten
Onderdeel van Besluit fiscale behandeling van aandelenoptierechten in grensoverschrijdende situaties· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 7 december 2024