**1.** Om in aanmerking te komen voor subsidie in de zin van dit reglement dient een filmproductie, onverminderd het bepaalde in Europese staatsteun regelgeving, in het geval van speelfilms ten minste aan drie en, in het geval van de overige categorieën en minoritaire coproducties, aan twee van de hierna volgende kenmerken te voldoen:
het scenario waarop de filmproductie is gebaseerd speelt zich in overwegende mate af in Nederland, of in een andere lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland;
ten minste één van de hoofdpersonages behoort tot de Nederlandse cultuur of het Nederlandse taalgebied;
het scenario waarop de filmproductie is gebaseerd is hoofdzakelijk in de Nederlandse taal geschreven;
het scenario van de filmproductie is gebaseerd op een van origine Nederlandstalig literair werk;
het hoofdthema van de filmproductie heeft betrekking op kunst dan wel kunstenaars;
het hoofdthema van de filmproductie heeft betrekking op historische figuren of gebeurtenissen;
het hoofdthema van de filmproductie heeft betrekking op voor de Nederlandse bevolking relevante actuele culturele, maatschappelijke dan wel politieke kwesties.
**2.** Voor een filmproductie, waarvoor van een ander (Nederlands) bestuursorgaan of van het Fonds een subsidie is ontvangen, kan slechts een zodanig bedrag aan subsidie worden verleend dat het totaal aan staatssteun verleende subsidies niet meer bedraagt dan 50% van de productiekosten.
**3.** Voor een grensoverschrijdende filmproductie die door subsidies van meer dan een lidstaat van de Europese Unie wordt gefinancierd en waarbij producenten uit meer dan één lidstaat betrokken zijn, kan het in het tweede lid genoemde percentage aan staatssteun maximaal 60% van het productiebudget bedragen.
**4.** Voor een ‘moeilijke’ film (zie toelichting) of een grensoverschrijdende filmproductie waarbij landen uit de DAC-landenlijst van de OESO betrokken zijn en die derhalve beperkte commerciële waarde hebben, kan een hoger percentage worden verleend dan het in het tweede en derde lid genoemde percentage, mits producent en eventueel de regisseur bij de subsidieaanvraag een schriftelijke visie hebben gevoegd waaruit naar het oordeel van het bestuur blijkt dat de filmproductie:
bijdraagt aan de diversiteit van film in Nederland; en daarnaast:
een opvallende artistieke verrijking of een innovatieve aanvulling betekent op het reguliere filmaanbod in Nederland.
Artikel 4
Culturele criteria en staatssteunpercentages filmproducties
Onderdeel van Algemeen Reglement van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2025