De uiterste periodes voor het in gebruik nemen van een productie-installatie op grond van artikel 24, tweede lid, van de regeling, worden vastgesteld op:
voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b: twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;
voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c: drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;
voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonne-energie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen d, e en f: vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;
voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen g en h: drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;
voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel i: vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;
voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit waterkracht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen j en k: drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 4
(uiterste ingebruiknametermijn productie-installatie)
Onderdeel van Besluit openstelling Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking 2025· Ondernemingspraktijk
Deze tekst geldt sinds 25 februari 2025