Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 3.1.3

Vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs

Onderdeel van Besluit bemanning zeeschepen· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2025

1. Een vaarbevoegdheidsbewijs wordt vernieuwd indien de houder diensttijd heeft opgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende bevoegdheden mocht worden vervuld, gedurende ten minste: 12 maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing; of 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing. 2. Bij ministeriële regeling wordt voor een vaarbevoegdheidsbewijs aangegeven in welke functie of functies de vereiste diensttijd moet zijn opgedaan om in aanmerking te komen voor vernieuwing, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende criteria: aan boord van welke categorieën zeeschepen de diensttijd moet zijn opgedaan; aan boord van welke grootte, klasse of het voortstuwingsvermogen van zeeschepen de diensttijd moet zijn opgedaan, en welke diensttijd, niet opgedaan aan boord van zeeschepen, in aanmerking wordt genomen. 3. In afwijking van het eerste lid kan de diensttijd in een andere, bij ministeriële regeling vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie worden vervuld. 4. De bevoegdheden op een te vernieuwen vaarbevoegdheidsbewijs worden op verzoek van de aanvrager gewijzigd indien de aanvrager aantoont ten minste te beschikken over de daarvoor benodigde kennisbewijzen, beroepseisen of diensttijd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning zeeschepen in werking treedt.

Rechtspraak bij dit artikel