Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.5

Artikel 3.5.3

Minimumeisen betreffende het gebruik van reddingmiddelen, hulpverleningsboten en snelle hulpverleningsboten

Onderdeel van Besluit bemanning zeeschepen· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2025

1. Een kapitein, stuurman, werktuigkundige, officier elektrotechniek, maritiem officier of andere zeevarende belast met het gebruik van reddingmiddelen en hulpverleningsboten, niet zijnde snelle hulpverleningsboten, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993. 2. Een kapitein, stuurman, werktuigkundige, officier elektrotechniek, maritiem officier of andere zeevarende belast met het gebruik van snelle hulpverleningsboten is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs snelle hulpverleningsboten dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993. 3. Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte. 4. Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aantoont een passende herhalingstraining te hebben gevolgd. 5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op vissers. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning zeeschepen in werking treedt.

Rechtspraak bij dit artikel