Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Opgaaf ICP

Onderdeel van Besluit administratieve verplichtingen omzetbelasting· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 9 mei 2025

Ondernemers die ICP’s verrichten, moeten daarvan uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op een kalendermaand opgaaf doen bij de inspecteur. In afwijking van deze algemene regel (opgaaf per kalendermaand) kunnen ondernemers soms kiezen voor een ander tijdvak (artikel 37a, derde en vierde lid, van de wet). Bij ondernemers die voor de heffing van btw jaaraangifte doen, kunnen de wettelijke termijnen tot het doen van de Opgaaf ICP tot een onevenredige lastenverzwaring leiden. Op grond van praktische overwegingen en voor zover nodig op grond van artikel 63 van de AWR, keur ik het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de inspecteur toestaat dat ondernemers die voor de heffing van btw jaaraangifte doen, hun Opgaaf ICP over dezelfde periode indienen. Ik verbind hieraan de volgende voorwaarden. Het jaarlijkse totaalbedrag van de leveringen en diensten van de ondernemer, exclusief btw, bedraagt niet meer dan € 200.000; Het jaarlijkse totaalbedrag van de ICP’s van de ondernemer, exclusief btw, bedraagt niet meer dan € 15.000; De intracommunautaire leveringen betreffen geen leveringen van nieuwe vervoermiddelen; De ondernemer moet zijn competente inspecteur schriftelijk verzoeken om toepassing van de goedkeuring en om uitreiking van de Opgaaf ICP op jaarbasis. Het verzoek moet de volgende inlichtingen bevatten: de verwachte jaaromzet exclusief btw; de verwachte omvang van de ICP’s; een verklaring van de ondernemer dat de intracommunautaire leveringen geen leveringen van nieuwe vervoermiddelen zijn; een verklaring van de ondernemer dat hij de inspecteur onverwijld zal melden, als hij niet meer aan de voorwaarden van deze goedkeuring voldoet; Een verzoek wordt met ingang van het jaar volgend op het jaar van de indiening van het verzoek toegekend, tenzij het verzoek vóór 1 mei van het lopende jaar is ontvangen door de inspecteur. In dat geval wordt het verzoek toegekend met ingang van het lopende jaar; en Er mogen geen aanwijzingen zijn of het gevaar bestaan dat de ondernemer betrokken is (geweest) bij btw-fraude. De inspecteur wijst het verzoek van een ondernemer af als de ondernemer niet aan de voorwaarden voldoet. Bij toegekende verzoeken vervalt de goedkeuring zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden. Wat het tijdstip van beëindiging van de goedkeuring betreft, handelt de inspecteur in overeenstemming met de gedragslijn beschreven onder e. Bij B2B-diensten27Business to business-diensten, d.w.z. diensten die door een ondernemer aan een andere ondernemer worden verricht. kan de plaats van dienst zijn gelegen in de lidstaat van de afnemer en de btw naar hem zijn verlegd. De dienstverrichter verantwoordt de dienst dan in zijn btw-aangifte (rubriek 3b) en zijn Opgaaf ICP. In voorkomende gevallen wordt echter geen btw-identificatienummer toegekend aan de afnemer omdat deze afnemer in zijn lidstaat onder de kleineondernemersregeling valt. Door het ontbreken van een btw-identificatienummer van de afnemer kan de dienstverrichter geen Opgaaf ICP van de betreffende dienst doen. Hieruit vloeit dan een verschil voort tussen de btw-aangifte (rubriek 3b) en de Opgaaf ICP. Dit vind ik ongewenst. In dat geval kan de dienstverrichter daarom zijn betreffende B2B-dienst verantwoorden in rubriek 1e van zijn btw-aangifte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel