**1.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een arbeidsbeperkte verstaan de persoon die is opgenomen in de registratie doelgroep banenafspraak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijnde de persoon:
die met ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, of artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, van de Participatiewet naar een dienstbetrekking is of wordt toegeleid of ten behoeve van wie loonkostensubsidie wordt verstrekt op grond van artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet, en van wie op verzoek van het college van burgemeester en wethouders of op eigen verzoek door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet, dan wel van wie door het college van burgemeester en wethouders in overeenstemming met de eisen gesteld aan een loonwaardevaststelling op grond van artikel 10d, eerste of tweede lid, van de Participatiewet een loonwaarde is vastgesteld die bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet;
die geïndiceerd is als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening of een nog geldende indicatiebeschikking heeft op grond van artikel 11 van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2014;
die recht heeft op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, met dien verstande dat de persoon die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, of 3:8a, eerste lid, van die wet slechts wordt aangemerkt als arbeidsbeperkte indien die persoon arbeid verricht in een dienstbetrekking;
die voldoet aan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde indicatie;
die op of na 1 januari 2013 een persoon was als bedoeld in onderdeel b of c, en op 1 mei 2015 niet langer een zodanige persoon was, met uitzondering van de persoon, bedoeld in onderdeel c, die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
die naar het oordeel van het UWV wegens ziekte of gebrek ontstaan voordat de leeftijd van 18 jaren is bereikt of in de tijd dat hij studerende was als bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten een belemmering ondervindt in het verrichten van arbeid in dienstbetrekking, en zonder een voorziening als bedoeld in artikel 10 van de Participatiewet of artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet; of
die als werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 78d, eerste lid, van de Participatiewet of werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in dat artikel.
**2.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder arbeidsbeperkte tevens verstaan de persoon die niet langer aan de voorwaarden op grond van het eerste lid, onderdelen a tot en met g, voldoet, zolang zijn opname in de registratie doelgroep banenafspraak nog niet is geëindigd.
**3.** In afwijking van het eerste lid wordt de persoon, van wie door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, niet opgenomen in de registratie doelgroep banenafspraak.
**4.** Met betrekking tot de beoordeling door het UWV of een persoon de kenmerken heeft, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of f, en met betrekking tot de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld.
De voordracht voor een koninklijk besluit dat het tijdstip van
inwerkingtreding van dit artikel vaststelt wordt niet eerder gedaan
dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Hoofdstuk I
Artikel 2
Doelgroep banenafspraak
Onderdeel van Wet banenafspraak· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht