Artikel 47 BVDB regelt de wijze waarop de vermindering van erfbelasting plaatsvindt ter zake van een door de erflater gedreven buitenlandse onderneming en onroerende zaken die binnen het gebied van een andere Mogendheid zijn gelegen en aldaar zijn onderworpen aan een gelijksoortige belasting. De vermindering wordt gesteld op de laagste van de volgende twee bedragen, ook wel limieten genoemd. Ten eerste het bedrag van de door de andere Mogendheid geheven belasting, de zogenoemde eerste limiet. Ten tweede het bedrag aan Nederlandse erfbelasting dat toerekenbaar is aan de hiervoor genoemde goederen, de zogenoemde tweede limiet. Deze limiet wordt berekend aan de hand van de evenredigheidbreuk als omschreven in artikel 47, derde lid, BVDB.
Bij de herziening van het BVDB in 2005 naar aanleiding van het arrest De Groot is de voorkoming van dubbele schenk- en erfbelasting zodanig aangepast dat voor de berekening van de evenredigheidsbreuk bepaalde subjectieve vrijstellingen en schulden niet langer evenredig worden omgeslagen over de buitenlandse en binnenlandse bezittingen.6Besluit van 8 april 2005 tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele technische aanpassingen, Stb. 2005, 197, blz. 21. Hiermee werd voorkomen dat een deel van de tegemoetkoming verloren gaat. Artikel 47, derde lid, onderdeel b, BVDB regelt thans dat in het bedrag van de noemer, de waarde van alle schulden die aftrekbaar zijn voor de Successiewet, alsmede de van toepassing zijnde vrijstellingen, bedoeld in artikel 32 Successiewet, op de waarde van de verkregen bezittingen in mindering mogen worden gebracht.
Tot de nalatenschap van een erflater die in Nederland woonde, behoren bezittingen ter waarde van 1.712 en schulden ter waarde van 700. De verkrijging bedraagt 1.012. Er geldt een vrijstelling van 12. De Nederlandse erfbelasting wordt berekend over 1.012 – 12 = 1.000. Voor de leesbaarheid wordt uitgegaan van een tarief van 20%, zodat de verschuldigde erfbelasting 200 bedraagt. Tot de nalatenschap behoort een buitenlandse woning van 500 waaraan een schuld is verbonden van 300. Over deze buitenlandse woning wordt voorkoming verleend. Over de buitenlandse woning is 45 buitenlandse successiebelasting geheven (eerste limiet). De tweede limiet bedraagt:
Bij de herziening van het BVDB in 2005 is opgemerkt dat uit bovengenoemde aanpassing volgt dat een vrijstelling die specifiek betrekking heeft op een bezitting die in de verkrijging is begrepen, een zogenoemde objectvrijstelling, in mindering kan worden gebracht op de waarde van de bezittingen die in de noemer zijn opgenomen.7Besluit van 8 april 2005 tot wijziging van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 in verband met het arrest De Groot van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (C-385/00) en in verband met enkele technische aanpassingen, Stb. 2005, 197, blz. 21 en 22. Op deze wijze wordt voorkomen dat erfbelasting wordt toegerekend aan een object dat is vrijgesteld. Net als bij een objectvrijstelling acht ik het redelijk dat bij toepassing van de evenredigheidsbreuk van artikel 47, derde lid BVDB, rekening wordt gehouden met de BOR. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat voor de toepassing van artikel 47, derde lid, onderdeel b, BVDB, op de waarde van alle verkregen bezittingen de aan belastingplichtige verleende BOR-vrijstelling in mindering komt.
Als de BOR-vrijstelling is toegepast op ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, BVDB dat is belast in de andere Mogendheid, geldt deze goedkeuring slechts indien het bedrag van de verleende BOR-vrijstelling voor zover dat daarop betrekking heeft ook in mindering wordt gebracht op het bedrag als omschreven in artikel 47, derde lid, onderdeel a, BVDB (de teller van de evenredigheidsbreuk).
Deze goedkeuring heeft net als de BOR zelf een voorwaardelijk karakter. Dit betekent dat als niet aan het voortzettingsvereiste van artikel 35e Successiewet wordt voldaan, de goedkeuring in zoverre vervalt. Bij het opleggen van de aanvullende aanslag of conserverende aanslag, bedoeld in artikel 37, derde lid, Successiewet, zal de inspecteur de tegemoetkoming op grond van artikel 47 BVDB en dit onderdeel, herrekenen.
Bovenstaande goedkeuring en voorwaarden gelden ook voor de toepassing van de vermindering van erfbelasting bij fictief in Nederland wonende erflaters (artikel 48, derde lid, onderdeel b BVDB) en voor de schenkbelasting (artikel 51 BVDB).
Wanneer er in de andere Mogendheid een vergelijkbare regeling als de BOR is toegepast, dan heeft dit geen invloed op de voorkomingsbreuk omdat de toepassing hiervan al is verdisconteerd in de eerste limiet.
Tot de nalatenschap van een erflater die in Nederland woonde, behoren de volgende bezittingen en schulden:
Een woning in een andere mogendheid van 500
Een aan deze woning verbonden schuld van 100 (buitenlandse schuld)
Een woning in Nederland van 700
Een schuld in Nederland van 200
Een onderneming in Nederland van 3.000
Er is één erfgenaam, namelijk de nicht van erflater. Zij zet de onderneming voort. De BOR-vrijstelling over de onderneming in Nederland bedraagt 2.625 (1.500 + (3.000 – 1.500) x 75%). Over 3.000 – 2.625 = 375 is erfbelasting verschuldigd.
De Nederlandse belastinggrondslag kan als volgt worden berekend: de woningen en het niet vrijgestelde gedeelte van de onderneming (1.200 + 375 = 1.575) minus de schulden (100 + 200 = 300) = 1.275. Hierover is 30% ofwel 382 Nederlandse erfbelasting verschuldigd.
De erfgenaam is in het buitenland ook successiebelasting verschuldigd, en wel over het saldo van de buitenlandse bezittingen en de daarmee verband houdende schulden. De grondslag in het buitenland is dus 400. Stel dat zij hierover 150 aan buitenlandse successiebelasting betaalt. Dit is de zogenoemde eerste limiet.
De berekening van de tweede limiet met toepassing van bovenstaande goedkeuring is als volgt:
De tweede limiet is lager dan de eerste limiet, daarom is de vermindering 120.
Tot de nalatenschap van een erflater die in Nederland woonde, behoren de volgende bezittingen en schulden:
Een buitenlandse onderneming van 3.000
Een woning in Nederland van 700
Een schuld in Nederland van 200
Er is één erfgenaam, namelijk de neef van erflater. Hij zet de onderneming voort. In de andere mogendheid is over de onderneming 180 aan successiebelasting verschuldigd. Dit is de zogenoemde eerste limiet.
In Nederland wordt een beroep gedaan op de BOR. De BOR-vrijstelling in Nederland over de buitenlandse onderneming bedraagt 2.625. De Nederlandse belastinggrondslag kan als volgt worden berekend: de woning en het niet vrijgestelde gedeelte van de onderneming (700 + 375 = 1.075) minus de schulden (200) = 875. Hierover is de neef 262 Nederlandse erfbelasting verschuldigd.
De berekening van de tweede limiet met toepassing van bovenstaande goedkeuring, waarbij zowel het bedrag van de teller als de noemer worden verminderd met de Nederlandse BOR-vrijstelling is als volgt:
De tweede limiet is lager dan de eerste limiet, daarom is de vermindering 112.
Artikel 12
Toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling bij de berekening van de evenredigheidsbreuk ter voorkoming van dubbele erf- en schenkbelasting
Onderdeel van Schenk- en erfbelasting, internationale aspecten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 16 mei 2025