Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Onderdelen ter vaststelling van de tariefopbouw

Onderdeel van Beleidsregel orthodontische zorg· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

1. Bij de tariefvaststelling wordt gebruik gemaakt van twee puntwaarden: een puntwaarde voor de tarieven in de A-categorie en een puntwaarde voor de tarieven in de B- en C-categorie. 2. De arbeidskostencomponent orthodontische zorg bedraagt: € 220.439 Per fte praktijkhouder (definitief niveau 2025) 3. De arbeidskosten praktijkhouder in de puntwaarde van de prestaties in de A-categorie bedragen € 132.350 Per 2.000.000 punten (definitief niveau 2025) Het praktijkkostenbestanddeel in de puntwaarde van de prestaties in de A-categorie bedraagt € 732.381 Per 2.000.000 punten (definitief niveau 2025) Het praktijkkostenbestanddeel is opgebouwd uit de elementen ‘personeelskosten’ en ‘overige kosten’: – personeelskosten € 450.392 Per 2.000.000 punten (definitief niveau 2025) – overige kosten (materiële kosten) € 281.989 Per 2.000.000 punten (definitief niveau 2025) Vergoeding gederfd rendement eigen vermogen (vgrev) € 30.199 Per 2.000.000 punten (definitief niveau 2025) 4. De bedragen in artikel 5.3 zijn niet per fte praktijkhouder weergegeven, maar per 2.000.000 punten zoals in het verantwoordingsdocument van het kostprijsonderzoek. 2.000.000 punten komt overeen met (afgerond) 0,672 fte praktijkhouder. 5. Jaarlijks vindt een aanpassing (indexering) van zowel het inkomens- als het praktijkkostenbestanddeel plaats. De wijze van indexeren is geregeld in de Beleidsregel indexering. 6. De structurele puntwaarde van de prestaties in de A-categorie bedraagt € 0,447465256 (definitief niveau 2025) € 0,463097372 (voorcalculatorisch niveau 2026) De puntwaarde van de prestaties in de B- en C-categorie bedraagt: Deze puntwaarde muteert jaarlijks met het hierna in artikel 6.2 genoemde mutatiepercentage. € 0,814405649 (voorcalculatorisch niveau 2026)

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel